Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

Het oude vrouwtje boog zich voorover, zuchtend, kreunend, de handen over elkaar drukkend op den omslagdoek, die op de borst over elkaar geslagen was, het gezicht met de roodomrande oogen gerimpeld, ongewasschen droog en bruin en rimpelig als een eikeblad In den herfst. Zij steunde korte kuchhoestjes uit haar borst omhoog.

Herman voelde zich ziek in die benauwenis en leed mee met het kuchende bestje. Zijn hoofd was donkerrood geworden, want de warmte in deze ruimte veroorzaakte bij hem congestie's.

„Je moet naar boven gaan, vrouwtje; 'tis hier niet goed voor je. Boven is 't frisch."

Het bestje keek op en haar hoofd schuddend: ,,'t Geeft niets, heertje, 't Is niet goed met mij, altijd met westenwind uchè.uchè.uchè."

Een twaalfjarige jongen, blond, in een blauw boezeroen, een korte pilowbroek, kwam op zijn kousen naar beneden.

„Is dat je zoontje, schipper?" vroeg Herman.

„Neen, mijnheer, dat is de jongen."

„Moet je ook schipper worden?"

„Nee," zei de jongen, verlegen wendend met zijn hoofd. De schipper, met schrandere oogjes, zijn pet schuin op 't hoofd, een boezeroen van fijne streepjes van blauw en wit aan, met een groote, dikvingerige hand langs zijn rood kinbaardje strijkend, tot Herman:

„Schipper wordt er maar één op de vijftien: schipper is zooveel als kapitein op een groote boot. Ik ben hier de schipper. Maar Jan wordt matroos, nietwaar Jan?"

„Ja," zei de jongen, in zijn verlegenheid zijn handen boven de kombuisplaat houdend, als had hij 't erg koud.

„Ja, manheer", zei een vrouw, half in schemer, met een nadruk op mijnheer den jongen onderrichtend; een

Sluiten