is toegevoegd aan uw favorieten.

Een droomer ter haringvangst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

De schipper liep, daar het gepraaide schip achter langs het roer van de Jeannette gezeild was, naar stuurboord en'zijn roeper in de lucht stekend:

„Allés, allés wèèèèèèl. Veel zegen, zegen allemaaaaaal."

En als een echo uit de diepte der zee schalde het terug:

„Veel zegen, veel zegen, goeien dag, allemaaaaaaal..."

„Dag Aai, Dag Teun, Dag Piet, Dag Hein, Dag Maarten."

„Dag Aai, Dag Teun, Dag Piet, Dag Hein, Dag Nélis."

De matrozen van de Voorwaarts staken de handen op en riepen hun groeten zoo over de zee. Maar de stemmen klonken zwak en schor tegen het bazuinen uit den scheepsroeper. En op de Jeannette staken de mannen ook de hand op en riepen naar de Voorwaarts:

„Dag Gerrit, Dag Klaaaaaas, Dag Jantje "

De kleine Maarten was langs de weeflijnen tot boven

in den mast geklommen en zijn zuidwestertje zwaaiend,

riep hij met zijn hooge jongensstem:

„Dag Léén, Léén, wij hebben een passagiertje aan

bóóóóórd."

Langs de weeflijn van de bazaan van 't andere schip, nu al ver weg, een hobbelend speelschuitje, klom een klein, bruin menschfiguurtje en zwaaide met een doek en een onverstaanbare schreeuw klonk over het water

Herman oogde het verdwijnende scheepje na. Ook daar een maatschappijtje als het hunne — het had hem goed gedaan die ontmoeting van menschen in de verlatenheid van hun klein rijkje. En toen met het gunstige briesje de Jeannette flink vooruitstevende, werd het druk op zee. De horizont was dra door tientallen scheepjes, zachtblauwend aan de kim, onderbroken. Het gaf een gevoel van veiligheid, van meer verweer