is toegevoegd aan uw favorieten.

Een droomer ter haringvangst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

schelvisch, makreel — juist visch, die de haring volgt en ze willen dus het liefst daar visschen waar de haring zit. Als ze je nou kwaad willen, dooven ze als 't moet, 's nachts hun eigen vuren, varen je vleet stuk, en gaan er vandoor. Je kunt door de donkerte dan niet eens zien, wie je netten heeft geruïneerd en tegen den morgen kan je naar je tuig visschen, als het er nog is en zij zetten hun netten uit. Doe daar nu maar wat aan. Vervolgen kan je ze niet, want al kapte je je eigen netten af en al kan je bij heldere maan ze ook zien, zij hebben een stoomschroef en daar kan je toch niet tegen opzeilen. Neen, de Engelschman op zee is een rakkert, cheffie."

„Is daar nu heelemaal niets aan te doen?"

De schipper keek Herman ernstig aan en dan:

„Aan te doen? — aan alles is wat te doen. Mijn maat heeft op een hoeker gevaren, dat is al jaren geleden en toen kwam er een Duinkerker — dat waren vroeger gemeene kapers, mijnheer. Die hadden aan de boeg een mes om je vleet af te snijden. Maar de schipper van den hoeker had ze in de smiezen en toen hij eens te visschen lag en de Duinkerker kwam op hem af, kapte hij zijn eigen reep,1) heesch zijn zeilen in één oogenblik en ging den Bels achterna.

Die kon niet gauw genoeg uit den -weg komen en de hoeker was hem in een oogenblik zoo nabij, dat de Bels dacht, dat hij hem naar de haaien zou zeilen. Zij staken een hemd op en riepen dat ze zich overgaven op genade of ongenade.

Toen riep de schipper van den hoeker: „Neer met je zeilen of ik vaar je in den grond" en óf de Bels zijn doekies gauw liet vallen. De hoeker ging vlak naast de

4 Reep, kabel waaraan de netten hangen.