is toegevoegd aan uw favorieten.

Verborgen gronden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERBORGEN GRONDEN.

115

De woorden „Onder de Hunieboom" zong hij telkens anders, en hoe langer hoe droever, tot het weer hard huilen werd.

Joost ging naar hem toe.

— Je mag niet huilen, Hunie! zei hij: Van den Bongerd heeft het gezegd. Anders komt hij niet terug!

'Hierop werd de dwerg stil en scheen in te willen slapen. 5

Joost ging nu naar de bedsteê waar vrouw Swenne lag. De Koning had haar het doodshemd aangetrokken. Ze lag star, wit en plechtig. Al het gruwelijke en slechte was uit haar gezicht verdwenen. Joost zag er enkel diepen ernst op. Hij staarde neer. Was dit dan de dood? Maar dat wat daar lag, was nog niet dood. Zie maar, het ademde! En die peezige vingersi knepen rond het zwart houten kruis, dat de Koning er in geklemd had, of ze voor 't eerst begrepen; en dat lage, rimpelige voorhoofd, waarvan de grauwe slangeharen weggestreken waren, dacht, dacht, dacht.. Waaraan dacht het?

Joost keek neer. Dood is geen vrede, dacht hij: dood moet strijd zijn, als alles. Hij boog zich over vrouw Swenne en staarde op haar neer. Neen, roepen mocht hij haar niet. „Hier is een ziel bezig zichzelf te richten*', had de Koning gezegd; en gedachtig daaraan vouwden zich Joost zijn vingers, terwijl hij de oogen sloot.

„Dit moet bidden zijn", dacht hij; en hij bad „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren".

Lang stond hij daar zoo, als opgenomen in de eeuwigheid; toen ontwaakte hij weer tot den schijn. Hij tastte op de bedsteêplank en greep naar hetgeen daar lag. 'tWas de oude kous met geld en dat wat vrouw Swenne's testament zou zijn. 't Hout in de schouw vlamde; ander licht was er niet; en hurkend bij 't