is toegevoegd aan uw favorieten.

Perspectieven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

Geen vogel zingt, het wolkjen zelf

Staat stil aan 't klare luchtgewelf

Een avondklokjen luidt van ver,

Juist boven 'tbosch gloeit de eerste ster,

En door de stilte, omhoog, beneên,

Zweeft zacht een „Onze Vader" heen.

Van S. Bonn, 'n jong dichter, van wien in de Wereldbibliotheek een paar bundeltjes versjes verscheen, dit uit „Wat zang en melody", (blz. 35):

De avond was stil in de zwarte laan de huizen stonden blind zonder bewegen, en op de paden stil er heen-gelegen was alles weg,* en stil ter rust gegaan.

De maan scheen zilverlichtend in je oogen en om je slapen maalde hij een krans, omzilverde met hippend plekgedans je hoofd en hals, en fijne lijvebogen.

En vreemd en ver een zachte vogel floot

een diep en donker lied uit 't duister van den nacht,

en zij aan zij als lid van reuzenwacht

gestorven starren dood, stonden de boomen, groot.

Wij hebben niets gezegd en niets begrepen, maar vreemd als in 'n droom elkander aangestaard in de oogen groot, de vrage, onverklaard, als antwoord vast de handen saamgeknepen.

en uit het volgende gedicht deze avondteekening:

De landen waren zacht bijeen tot slaap genegen de paden grauwden weg, alle geluiden zwegen, een ruischelooze nacht over de landen zonk er.

Ook de sterren inspireeren de dichters; Beets: