is toegevoegd aan uw favorieten.

Jaapje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KWALEN.

65

Gehoorzaam volgden zij moeder Juut die de eerste zes kwam halen. Nico, Bert en Marietje Verbeek; Suze Seelig, Kareltje en Jaapje schuifelden achter de moeder door de

rooie gang naar het „keukentje" Je kan het al goed

ruiken," fluisterde Nico onderweg. Niemand kwam graag in het keukentje. Zaterdags werden er de zondagsche schoenen gepoetst, de pot met traan er stond, waarheen je werd gestuurd zoodra je daagsche schoenen wit begonnen te worden. Er was een tuimelraampje dat stiekem werd gebruikt; wanneer de suppoosten tafelden, holden de „meiden" door de rooie gang er heen; het kwam op het plaatsje van vrouw Tijgaardt uit, die 'n bakkerswinkeltje hield, „kadetjes" verkocht, „roggies"en „halvepondjes". Ze haalden ze in een boezelaar op die aan een band ge knoopt was. Vrouw Tijgaardt verkocht je pepermuntballen ook; opgerolde papiertjes met „krummels" er in; zuigstokken en pijpen zoethout. Doch aan al deze heerlij kheden dacht nu Jaapje niet, de moeder deed de gangdeur open waarachter de „achtertrap" was; toen opende moeder de keukentjes-deur en schrokken ze van de wasem die er hing. Moeder duwde, deed de deur gauw dicht en zagen ze middenin de groote tobbe staan rooken.

„Ajakkes!" zei Suze Seelig; maar moeder Juut vervuld van haar goed werk liet ze zitten op den rand der tobbe.

„Jou hier en daar Marie en Jacob van Genderen daar; wees niet bevreesd; gij zult eens zien hoe gauw gij van uw winter zijt bevrijd. Eerst de skoenen uut en dan de kouzen ; de broeken netjes omslagen en de banden vast.

In het schimmige ruimtetje gewend geworden deden zij