is toegevoegd aan uw favorieten.

Het eeuwige mysterie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

theek eensklaps tegenover Dolf te staan, allerminst op dit onverwacht weerzien voorbereid, herkende in dien luitenant in zijn nauwsluitend uniform ternauwernood denzelfden jongen, dien zij vroeger zoo zielslief had gehad. Wat moest zij hem zeggen en waartoe zou die onverwachte ontmoeting leiden?

Hij was opgestaan en zwijgend gaf hij haar het kind, dat hij nog steeds in zijn armen hield.

De bewonderende blik, waarmee hij haar had aangezien, was haar niet ontgaan en hierdoor aangemoedigd, vroeg zij hoe het hem ging.

Niet zonder eenige bitterheid in zijn stem antwoordde hij, dat het hem slecht ging en dat het leven sedert lang zijn bekoring voor hem had verloren.

Zij legde toen haar hand op zijn schouder en zei: „Wij moeten eens met elkander spreken Dolf en daartoe is het bier allerminst de gelegenheid. Ik breng het kind even bij de juffrouwen kom terstond terug. Wacht mij buiten, daarginder, op den hoek van de groote laan achter het huis."

Onbemerkt begaf hij zich naar de aangeduide plaats en toen hij haar hoorde naderen, hep hij langzaam verder de laan in.

Een oogenblik later voegde zij zich bij hem en beiden, schroomvallig het eerste woord te spreken, schreden zwijgend naast elkander voort langs het bevroren, krakend voetpad, dat naar het Achterbosch leidde. Het viel hem moeilijk het eerste woord te spreken. Wat moest hij zeggen? Zich beklagen over zijn lot? Haar verwijten dat zij hem had vergeten?

Zij hadden elkander, nu alles toch voorbij was, eigenlijk zoo bitter weinig meer te zeggen.

Toen hij eindelijk op kalmen toon zeide: „Lucie, je wenschte me te spreken?" zag hij tot zijn verwondering tranen in haar oogen.

Hij verwachtte een ernstig pleidooi, een krachtig betoog ter verontschuldiging, dat zij hem vergeten had, maar zoodra hij gewaar werd, dat zij bedroefd was, gevoelde bij zich plotseling verteederd. Het deed hem goed te bemerken, dat ook zij onder den indruk van het oogenblik, hem niet geheel onverschillig bleek.

Op zachten toon vroeg hij, of het niet beter was, nu het lot toch eenmaal onverbiddelijk over hun toekomst had beslist, hierin te berusten en te trachten het verleden te vergeten.

In schreien uitbarstend vroeg ze: „Meen je werkelijk Dolf, dat je onder die treurige omstandigheden meer geleden hebt dan ik?"

„Geleden, Lucie ? Heb jij daaronder geleden ? Dat is toch niet mo-