is toegevoegd aan uw favorieten.

"Om Gelre's hertogskroon"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109

Doch wie dacht er aan wanhoop? Bronckhorst's trotsche ruiterdrommen zouden vernietigd worden; Arnhem zou een zware brandschatting hebben te betalen voor den euvelen moed, dat het zich aan de zijde van Eduard van Gelre had geplaatst, en Arnhem's vernedering zou het lot van den oorlog en van de Geldersche hertogskroon beslissen.

Met een schier kinderlijke naïeveteit bespraken deze dappere zonen der Vejuwsche heide de kansen des oorlogs, en de puinhoopen van Ter Horst waren hun een waarborg der overwinning. Zij zouden den vijand verpletteren; zij verdeelden in hun gedachten reeds den buit, en slechts deze zorg bekroop hen, dat de heer van Bronckhorst stil binnen de sterke muren van Arnhem zou blijven.

Nu was het nacht, en een eenzaam man wandelde over het wijde heideveld naar Ter Horst. Het was de hoofdman Meinards. En toen zijn oog rustte op de verwoesting, trilden er weemoedige snaren in zijn strijdbaar gemoed.

O', het verschil is groot tusschen een kasteel, dat in vlammen is gehuld, éri de stuivende asch van zijn puinhoopen! Die oplaaiende vlammen jagen een huivering aan, maar in die huivering ligt bewondering. Het gezicht is schrikwekkend, maar wij vinden het niettemin aangrijpend in zijn ontzaglijkheid. En als de zee van vonken oploeit, de ruiten breken, de muren als van ontzetting staan te schudden, en het geweldige dak met daverend geweld neerstort in den reuzenkrater van vuur, dan sidderen we, maar wij bewonderen tevens.

De puinhoopen van Ter Horst — droevig was het gezicht! Die zwart geblaakte, gescheurde, ingestorte muren, die verkoolde balken, die hoopen asch — zij spraken van ondergang, van vernietiging.