is toegevoegd aan uw favorieten.

De filosoof van 't Sashuis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

DE FILOSOOF VAN 'T SASHUIS.

zijn mond voortdurend gevuld werd, al een heelen tijd zoo ongenadig aan 't krijten was, dat de kribberige vader er over „in kwestie" kwam met de moeder, hetgeen aanleiding gaf tot den aftocht van den hardnekkigen zuigeling en zijn misnoegde gevolg. Zoo was er in eens plaats te over en ons drietal zette zich in gezelschap van Flavie en hare vriendin onder de lindeboompjes neer.

Mietje's hart klopte van nauw bedwongen haat tegen die Flavie met haar vettig donker haar en hare blinkende, franke oogen. Zij wenschte ver weg te zijn, thuis waar zij in stilte haar leed had kunnen uitkrijten. Doch hier moest ze zich kloek bedwingen. Dat zou ze dan ook tegenover deze vrouw. Flavie zou geen leedvermaak in hare zwakheid scheppen. Ze wilde zich houden alsof ze Flavie niet zag.

— Wien is da meistjie? vroeg deze echter aan Casteels.

— Dat is m'n dochter.

Dadelijk bekeken Flavie en haar vriendin malkander weer met dat vluchtig spottend lachplooitje van zooeven om de lippen, waaruit bleek, dat beiden wel iets wisten van het praatje dat Vrouwe Dierickx over Mietje en den Sasmeester in 't leven geroepen had.

De Sasmeester legde zijn rooden zakdoek met appeltaarten, die hij totnogtoe in de hand had gehouden, op de tafel neer. Flavie en haar vriendin proestten het eensklaps uit en schertsten tegen malkander: •-■l*'*