Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

in de nabijheid gelegen smelierijen, toestaan, dat ze, tegen vergoeding, eventueel ook door anderen ontgonnen worden.

De onder carrières ingedeelde delfstoffen staan, zonder reserve, geheel ter beschikking van den eigenaar van den grond.

Ik zeide dat, tot verduidelijking van de bedoeling, de mijnwet van 1810 een aantal delfstoffen opsomt die onder de mines te rangschikken zijn. Daaronder behoort niet le sel gemme, het steenzout, omdat toen die wet afgekondigd werd, het voorkomen daarvan in Frankrijk niet bekend was. Toen in 1818 de eerste steenzoutafzetting door de Maatschappij Thonellier ontdekt werd, was men in twijfel, of deze delfsrof wel voor concessïe-verleening vatbaar was en meende de regeering de zich voordoende moeilijkheid te kunnen oplossen (het debiet van zout vormde toen reeds in Frankrijk een monopolie van den staat), door de concessie, bij de wet van 6 April 1825, aan het domein van den staat toe te kennen. Eenigen tijd later ontdekte Parmentier, concessionaris van de steenkoolmijn Gouhenan — hij was tevens eigenaar van den grond — eene steenzout-afzetting in zijn terrein. De concessie voor deze delfstof werd hem door de regeering geweigerd, aangezien de omtrek van het door hem aangevraagde concessie-terrein begrepen was in het mijnveld, dat bij de zooeven genoemde wet van 6 April 1825 aan het domein van den staat in concessie was verleend.

Parmentier ging nochtans voort met de ontginning door middel van uitlooging. Het gevolg was, dat tegen hem procesverbaal werd opgemaakt, wegens overtreding van art. 5 van de mijnwet van 1810, hetwelk zegt, dat geen ontginning van onder de mines gerangschikte delfstoffen mag plaats hebben, zonder dat concessie-is verleend, den Raad van State gehoord.

Parmentier werd in het ongelijk gesteld, doordat het Hof van Cassatie, bij vonnis van den 8en September 1832, als zijn oordeel te kennen gaf, dat indien er eenige twijfel bestond over de vraag, of steenzout wel onder de mines te rangschikken was, volgens de mijnwet van 21 April 1810, en dus het onderwerp kon vormen van eene mijnconcessie, deze twijfel was opgeheven door de bovenbedoelde wet van 6 April 1825.

Bij die wet was immers de regeering geautoriseerd geworden om de betreffende steenzoutmijn aan het domein van den staat in

Sluiten