Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUUR VAN HET OCTROOI

459

der is te niet gegaan, vervalt volgens art. 47 onzer wet na verloop van vijftien jaren na de dagteekening van het octrooi. Het beginsel, dat het octrooi slechts een beperkten en wel een voor alle octrooien gelijken duur heeft, is in het moderne octrooirecht algemeen toegepast. De termijnen zijn niet overal dezelfde, maar de verschillen zijn gering.

457. In den tijd, toen de octrooien zonder wettelijken grondslag werden verleend, werd de duur, waarvoor het privilege zou gelden, overal willekeurig vastgesteld. Een vaste duur voor het octrooi is het eerst gebruik geworden in Engeland, na de wet van 1623, die een maximum duur instelde van 14 jaren, welke termijn spoedig als de gewone werd beschouwd en in het Engelsche recht werd gehandhaafd tot 1919. Volgens Damme1) werd dit getal verkregen door verdubbeling van den destijds in Engeland geldenden leertijd, dien de gezel moest doormaken, alvorens zich als meester te kunnen vestigen. Het verband met dezen termijn zou gelegd zijn, omdat men den uitvinder beschouwd wilde zien als den leermeester van het publiek, die dan gedurende den leertijd het octrooi zou ontvangen als belooning voor zijn onderricht. Na afloop van het octrooi zou het publiek vrij zijn.

Volgens Damme behoort aan dezen gedachtengang nog te worden vastgehouden. De uitvinder is zijn tijdgenooten een eind vóór. Na verloop van tijd echter heeft de algemeene stand van de techniek hem ingehaald en behoort daarom aan zijn positie van leermeester een einde te worden gemaakt. Deze termijn moet op omstreeks 15 jaren worden gesteld.

De verklaring van Damme kan historisch juist zijn — en zij is daarom zeer belangwekkend —, zij kan bezwaarlijk dienst doen om den duur van het octrooi in het tegenwoordige octrooirecht te verklaren. Ten aanzien van verreweg de meeste uitvmdingen kan worden vastgesteld, dat ze lang voor het verloop van den vijftienjarigen termijn reeds door den algemeenen stand van de techniek zijn achterhaald, waardoor ze" vanzelf hun beteekenis verhezen.

Bij de samenstelling van onze wet hebben overwegingen als deze dan ook niet gegolden; blijkens de Memorie van Toelichting heeft de Regeering zich eenvoudig bij de meerderheid der bestaande buitenlandsche wetten aangesloten.

») Zeitschr. Ges. Hr. 62, bl. 92.

Sluiten