is toegevoegd aan uw favorieten.

Het "derde oog van Siwah"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik liet het zeil uit de handen glijden, leunde een oogenblik tegen den wand aan, ging toen op mijn bedrand zitten, en dacht over het gebeurde na. Neen, gedroomd had ik niet, want tusschen mijne vingers hield ik een plukje haar, afkomstig van een pantervel. Geen droom dus, maar — wat dan? Hoe kwamen die dieren, welke toch als wild bekend staan, en in 's hemelsnaam toe, zich tegenover mij te gedragen als de tamste katten? Het was te belachehjk, te onwaarschijnlijk; niemand zou het gelooven, en daarom nam ik mij ook voor, het aan niemand te vertellen, want uitgelachen te worden, wilde ik niet.

Hoe lang ik wakker lag, wist ik niet, maar eindelijk zegevierde de moeheid, en viel ik in een verkwikkenden slaap. Toen ik ontwaakte stond Selous reeds aan mijn bed, met een warme kop thee, zeggende: „Het wordt hoog tijd, hoor; sta op, komaan, de jacht begint.

Ik wreef mij de oogen uit neen, ik zou toch

maar niets zeggen! Telkens kwam het mij op de lippen, doch ik hield het in; ik wilde niet bespot worden, nu niet en nooit. Selous kortte den weg met het vertellen van jachtavonturen, zoodat ik vanzelf niet over mijn nachtelijk bezoek behoefde te spreken, en het zelfs langzamerhand vergat, door den heerlijken morgenrit, waarbij alles ons zoo

94