is toegevoegd aan uw favorieten.

De Anti-revolutionaire Partij en haar program van beginselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

110 het program der anti-revolutionaire partij.

Een regeering derhalve zonder God. Tweeslachtig mag dit standpunt worden genoemd. In de staatsstukken het bestaan van God belijden en in het bestuur en in de wetgeving die belijdenis eenvoudig op zij schuiven. Erger dan tweeslachtig. Het was en is ook beginselloos en huichelachtig. Immers was het duidelijk, dat men die uitdrukkingen handhaafde terwille van de natie, wier christelijk karakter niet kon worden geloochend. En daaruit blijkt dan ook weer, dat het politiek ongeloof der liberalen niet door het meerendeel der natie werd gedeeld, en dat die partij haar heerschappij door beperking van het kiesrecht, door allerlei kunstgrepen, ook door de lauwheid van de belijders zeiven, wist te handhaven.

Doch hoe dit ook moge zijn, vast staat, dat onze partij uit beginsel lijnrecht staat tegenover het liberalisme. Onze belijdenis is: de Overheid is Gods dienaresse en dientengevolge heeft zij, in een niet-godsdienstlooze natie, Gods Naam te verheerlijken. Het liberalisme daarentegen denkt er anders over. Voortgekomen uit de Revolutie, die de souvereiniteit Gods verwierp en de souvereiniteit van het volk daarvoor in de plaats schoof, meende de liberale partij, dat in het bestuur en de wetgeving met alles en nog wat rekening moest worden gehouden, alleen niet met het bestaan van God als Schepper en Onderhouder van het heelal. Haar streven is om heel de natie daarvan te overtuigen, of beter uitgedrukt: om heel het volk in die God-looze richting op te •voeden, om dan volledig het politiek systeem van ongeloof te kunnen toepassen. Het ligt dan ook in de lijn van het liberalisme niet te rusten zoolang de eed niet geheel is afgeschaft, zoolang de uitdrukkingen van „gratie Gods",' „zegen Gods", enz. niet voor goed uit de staatsstukken zijn verdwenen, zoolang ook de officieele Zondag niet voor goed is weggevallen.

Of men dan geen vastheid wil, geen gehoorzaamheid aan het gezag van den „Staat", gelijk het heet in plaats van „Overheid"? O, zeer zeker. Maar een vastheid, die de menschelijke wet geeft; een gehoorzaamheid, die niet in de consciëntie maar in vrees voor de straffende hand van den rechter ligt. Welk een vastheid nu in de wet is gelegen, heeft de heer Fr. van der Goes getoond, toen hij in 1897 openlijk in de Nieuwe Tijd verklaarde, dat de socialistische Kamerleden wèl de belofte op de Grondwet