is toegevoegd aan uw favorieten.

De non van Dobbertin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

figuur van Ingeborg. „De arme landadel weet niets met zijn dochters te beginnen, daarom stoot men ons reeds als kinderen in het klooster."

De meesten vlogen in allerlei gemoedsstemming op bij deze woorden; allen schreeuwden en keven door elkaar. Na menige vruchtelooze poging gelukte het eindelijk de priores de orde weer een weinig te herstellen; zij had er haar waardigheid geheel bij ingeboet, had een hooge kleur van ergernis, en riep: „Maar Margaretha Von Wangelin is volstrekt niet arm; zij brengt het klooster twee jaar renten, elk van driehonderd gulden aan."

„Dat is beslissend", zei zuster Armgard lachend en ging weer zitten; tot nog toe had zij gestaan en tamelijk kalm het gekibbel der nonnen aangezien.

Werkelijk bedaarde nu de storm. De meesten rekenden vlug uit, dat daardoor jaarlijks wel een extratje zou verschaft worden. Toen de priores de opname van Margaretha in rondvraag bracht, stemden allen voor. Reeds denzelfden namiddag geschiedde de kleeding zonder veel formaliteiten, want de pater, die de noodige godsdienstoefening had moeten houden, ontbrak.

Margaretha knielde in het koor aan de zijde van Emerentia Von Dessin den geheelen nacht, en bad de moeder van alle genade om kracht en zegen voor haar werk. Voortaan was geene zuster ijveriger in dienst; geene kastijdde zich zoo en worstelde meer om de genade Gods; zij wilde, nu haar daarvoor de gelegenheid geopend was het dubbele werk verrichten van door haar gebeden en vrome werken haar moeder en den armen Lippold uit het vagevuur te redden.

Zij begon onderwijl te rekenen; haar werken en gebeden op te tellen en zich over den verworven schat te verheugen. Maar toen zij de zusters om raad vroeg en om inlichting hoe zij een overschot berekenen kon, gaven sommigen haar te kennen dat zij voor zoo iets niet geschikt waren, en wendden zich af om haar achter haar rug uit te lachen. De beide ouden zwegen met stillen ernst. En vroeg Margaretha haar eigen hart, dan kreeg zij ten antwoord: dat ze nog niet eens zichzelven van den nood bevrijd had, nog gezwegen daarvan, dat zij anderen redden zou. Opeens begon ze met verdubbelden ijver aan haar werk en het slot zou geweest zijn dat zij zich binnen korten tijd door angst, nood, zorg en ijver er geheel onder gewerkt zou hebben, indien niet het klooster door een ongewone gebeurtenis ontroerd was geworden.