is toegevoegd aan je favorieten.

De non van Dobbertin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

303

gezinden geest had, zoodat hij het belang van de nachtelijke diensten voor zijn huis niet eens inzag. Maar een goede slaap na een vermoeienden dag was voor hem onontbeerlijk; tot aller verontwaardiging zette hij op dat punt zijn wil door. Het duurde niet lang of de zusters bemerkten dat men ook zeer goed leven kon zonder eiken nacht te zingen.

Zij haalden overdag het verzuimde werk in, en begonnen ernstige pogingen aan te wenden om den heer des huizes en zijn familie beter te bekeeren, maar al haar pogingen bleven zonder gevolg. De ridder werd koud noch heet, dat wil zeggen, hij liet den stroom redeneeringen der zusters over zich heen gaan en bleef bij zijn „Ja! ja!" en „Hm 1 hm 1"; zijn huisgenooten volgden zijn voorbeeld. Maakten de nonnen het te erg, dan ging hij op jacht en zijn vrouw naar de keuken. Daar kwamen de zusters niet, want men had getracht haar, telkens als zij verschenen, een of ander werk op te dragen. Ten slotte liep alles uit op een groot schandaal, waardoor aan den toestand een eind kwam. De nonnen zetten haar opwekkingspogingen ook voort bij het dienstdoend personeel. Zoo kwamen ze ook tot een knecht, die ronduit en koppig verklaarde dat hij geen behoefte had aan andere predikers dan hij in zijn hoenderhof noodig had. Daar kwaakten de eenden: paus, paus 1 de kalkoensche haan stotterde: Luther, Luther! de haan kraaide: Zwingli, ZwingHl En als die geloofsstrijd den hofhond te erg werd, kwam hij er tusschen met zijn zware basstem: „Calvijn, Calvijn!" Verder liepen er genoeg ganzen met een eigen geloofsbelijdenis, maar die verklapten ze niet.

Dat was ergerlijk; zulke godloosheid riep ten hemel om wraak; die knecht was gevaarlijk voor zijn geheele omgeving, want al de anderen hadden geschaterd van 't lachen toen ze zijn schandelijk antwoord hoorden. Zoo'n kerel moest van de plaats gejaagd worden, en wel op stel en sprong.

De ridder — o schande! — lachte ook hartelijk en verklaarde dat hij den man niet missen kon. En toen de man niet weggezonden werd, kwam de hooge bedreiging er uit, dat de nonnen dan weg moesten; met zoo'n sujet konden zij niet onder één dak zijn. Von Grabow zei, schouderophalend: „Reizigers moet men niet noodeloos ophouden!"

Zoo bleef er geen keus over; men schudde het stof van de voeten, de geheele zegen werd aan het huis onttrokken en zingend wandel-