Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

gillende kreet van den noodhoren door 't stormgeweld schrilde — en menigeen meende, dat misschien op eene andere plaats in 't dorp, den duivelschen toeleg der brandstichters was gelukt, en ook daar de vuurvlam offers vroeg.

Maar neen — ernstiger vijand deed zijne aanvallen, 't Was de zee, de rustelooze, die hoog zijne watergolven opwierp tegen den dijk.

Er werd om hulp geroepen, voor de zwaar bedreigde Weikamp.

Daar werd de felle strijd gestreden, tusschen 't brooze menschenwerk en de door Gods adem opgezweepte baren.

't Grootste aantal der blusschers spoedde zich naar den zeedijk — en aldoor gierde de stormwind zijn zegekreten en loeiden de vlammen hun overwinningslied.

Bij 't akelig knetteren van de vlammen en 't bulderend windgedruisch werd koortsachtig gewerkt, om te redden, wat te redden was.

Maar steeds brulde boven alles uit de rollende zee, die aldoor nieuwe legerscharen tegen de bevende dijken wierp.

Reeds werden op de Weikamp de huizen ontruimd. De bemanning van spuit I kon vertrekken naar Bunschoten, terwijl de Spakenburgers aan spuit II, met gedunde gelederen, den strijd manmoedig volhielden tegen de toortsen van vuur, die in de zwaar volgetaste hooibergen en schuren, gedeeltelijk met riet gevuld, ruimschoots voedsel vonden.

Tegen half elf werd nog meer volk weggeroepen, omdat de schepen in de havens van hunne ankers sloegen en hunne trossen verscheurden.

Steigerend reden de dol geworden botters op de havenwallen.

Hooger steeg de vloed; de dijken liepen over en met het rijzen van het water steeg de nood.

Om ruim elf uur werd de toestand nog kritieker. Op voorstel van een paar brandmeesters gaf de Burgemeester toestemming tot het aanstellen van eene nachtploeg.

Spoedig was een twintigtal mannen gevonden, dat den ongelijken kamp met het vuur zou voortzetten, terwijl

Sluiten