Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straat hem noemde — stond toen in z'n dertigste jaar. Hij was schraal van gestalte, klein en had een ietwat hooge rug. In z'n beenig aangezicht lagen een paar groote, grijze oogen, die mat en dof, eer namaak leken, dan levende deelen van een menschenlijf. Traag waren z'n bewegingen, jongensachtig onbeholpen nog. Bij de dood van z'n vader scheen hij geheel versuft. Verwezen staarde hij op de bleeke trekken van het lijk, draaide z'n zijden petje tusschen de grove, vereelte vingers. Alles ging buiten hem om —

hij liet zich plaatsen en duwen zoo men wilde — sprak niet

hoorde ook niet. Na de begrafenis liep hij doelloos af en aan, zat poozen gedoken in z'n hoekje, zich niet terecht vindend in de toestand door het overlijden van z'n vader ontstaan. '<— Boeleke, is er geen werk meer beneden? — Boeleke, zijn de lijsten klaar voor Nolle Rabeeuw?

Boeleke keek naar z'n moeder op, als sprak zij van dingen, waarvan hij nooit hoorde. — Werk? Lijsten?

Z'n moeder moest nog eens zeggen, wat ze bedoelde, eer het tot z'n verloomd begrip doordrong.

Werk — was er nog werk — nu vader dood was? Onbegrijpelijk scheen het hem. De handen, die de bezigheid aanreikten, lagen in het graf.

De moeder ging met hem naar beneden, scharrelde rond, onderwijl wat h'r in handen viel beschouwend om te ontdekken, welke naam het stuk droeg — h'r oordeel gevend over wat er aan gedaan diende.

Boeleke luisterde toe — z'n begrip verhelderde, hij wist nu wel weer alles. Hij ging rommelen tusschen de verfbussen, zocht kleuren te saam, spoelde de kwasten. Die bezigheden, van kind af gedaan, waren hem vertrouwd, namen veel weg van het vreemde, dat de laatste dagen in hem brachten.

Z'n moeder bleef nog een wijle toekijken. Een traan kwam in h'r oude oogen, vloeide af langs de magere, uitgebleekte koon. Langzaam schudde ze het hoofd en klom weer naar boven Aan het raam van de achterkamer, dat uitzicht gaf over 't kleine plaatsje en de gracht op de achterkant van de huizen ter overzij, zette ze zich neer, legde de beenige handen in de schoot en zuchtte— Boeleke — ach, Boeleke —

Boeleke was een sukkel ze wist het, maar een goeie jongen en werken kon hij ook. Maar och — nee, z'n weetje had hij heel goed, maar hij was zoo suffig, er ging zoo weinig kracht van hem

8

Sluiten