is toegevoegd aan uw favorieten.

Banden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

In de voorkamer brandde dien middag al vroeg het gas. Zacht suisde het in de ouderwetsch geornamenteerde driearmige kroon, met scherpe licht-flitsingen op de afhangende prisma's. In een warmen goudglans spoot het licht uit over de glimmend mahoniehouten meubelen, gleed over de toegeschoven peluche gordijnen heen. In de diepe canapé met zijn wijden kring van stoelen zaten de gasten, de gezichten warm-overbloosd onder hun voiles en zware winterhoeden, door de hitte van het kunstlicht en de drukke luchte scherts, waarmee ze kringden om de gastvrouw, oude mevrouw van Schuylen, die jarig was. Buiten was de middag nat en grijs van trieste winterregen, die langzaam lekte omlaag langs de gootpijpen, eentonig stuikte langs de gevels der heerenhuizen, ten slotte glibberig glimmen bleef op de trottoirs. „Geen mooi weer voor uw feestdag," zeiden de gasten. Maar niemand had zich toch door den regen laten afschrikken. Onophoudelijk ging de bel over en trad een nieuwe bezoekster in, om haar compliment te maken aan de zeer geziene oude vrouw. Even was daar dan opschudding en door elkaar gepraat onder die allen, die tot vriendelijk begroeten zich van hun stoelen verhieven, dan, als de nieuw aangekomene gezeten was, zochten, als onmerkbaar, éven de anderen, naar 'twoord dat het afgebroken gesprek weer vlotten deed; door de gastvrouw steeds met fijnen tact zóó geleid dat het vloeide in 't algemeen, tegelijk tot ieder in 't bizonder scheen gericht.

Bij de theetafel in den hoek stond Liesbeth en zorgde voor de thee. Het was haar goed zich een oogenblik daar, in de

1

Banden.

1