Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RESOLUTIVE.

REST.

onverschrokken; Resolntion, rezdl(j)üè'n, oplossing, besluit, voornemen, vastbeslotenheid, resolutie: The — of a discord = oplossing van een dissonant; — of an eu.ua tion = oplossing van eene vergelijking: — of force» (of motton) ■* ontbinding van krachten; The — of tbe plot — ontknooping van de intrigue; He took a flrm — and stuck to it — nam een vast besluit en bleef erbij; Good — s and wise resolves = goede voornemens en wijze besluiten.

Resolutlve, rezdl(j)utiv, oplossend.

Resolvabllity, rizolvdblliti, oplosbaarheid; adj. Resoivable.

Resolve, rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; — verb. oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, beslissen, oplossen van dissonanten (muz.), wegsmelten: lapprove yonr — = keur uw besluit goed: I am —d m ik ben besloten: These problems are diflicitlt to — = op te lossen; Tnetumour —d = verdween vanzelf; It was — d = er werd (het was) besloten; The Honse — d itself lnto a commlttee = ging in comité-generaal; Ice —s lnto water = ijs verandert in water: I cannot — (np)on any thing as tot niets besluiten; l am —dl on accompanying you = ben besloten; The king has the riant to — om peace and war = oorlog te verklaren en vrede te sluiten; — nt, subst. en adj. oplossend (middel); —er = wie besluit, wat oplost.

Resonance, rezdn'ns, weerklank; Resonant = weerklinkend; Resonator.

Resorption, rizöpè'n, absorbeering.

Resort, rizöt, subst. samenloop, vereenigingsplaats, druk bezoek, (hulp)middel, redmiddel;

— verb. zich begeven naar, zijne toevlucht nemen tot: His usual place of — was the mn== zijn gewone gang was naar de herberg; We must trust to our swords in tbe last

— = als laatste toevlucht; Do not go to places wnere drunkards and gambIers

— to = waar dronkaards en dobbelaars komen; —er = geregeld bezoeker.

Resonnd, rizaund, weerklinken, weergalmen: The sound — ed through the house Hke thunder; The smithies —edwith hammering = weerklonken van de hamerslagen.

Resonnd» risaund, opnieuw (doen) klinken.

Resource, risös, hulpbron, hutp(middel), redmiddel, vindingrijkheid: —s = (geld)middelen, gaven, talenten; A man full of

— s = die zich uitstekend weet te redden; Reading is my favourlte — = in vrijen tijd lees ik het liefst; He was thrown on bis own — s = moest zichzelf maar zien te redden; —ful = vindingrijk; He has a

— fulness of mind which is quite astonishing = hij heeft een vindingrijkheid ate verbazend is.

Respect» rispekt, subst. eerbied, achting, verhouding of betrekking, opzicht; — verb. betrekking hebben op, acht slaan op, eerbiedigen : In — of that question — met betrekking tot; In (with) — to = met betrekking tot ; He is a clever fellow in every — = in ieder opzicht = In all —s; —s = beleefde groeten of komplimenten: Pay (Present) my -s to your lady = mijne

beleefde groeten aan mevrouw; God does not — persons (There ls no — of persons with God) = God kent geen aanzien des persoons; —ability = achtenswaardigheid, aanzien; persoon van aanzien: Starvlng -ability = fatsoenlijke armoede (armen); He is a man of —abi* llty = van aanzien; — able = eerbiedwaardig, achtbaar, fatsoenlijk, eerzaam, middelmatig, tamelijk: His father was a —able tradesman = een geacht koopman; —er: He is a —er of persons = hij ziet zijne lui aan, is niet onpartijdig; —ral = eerbiedig, hoogachtend; —ing m met betrekking tot, aangaande; —Ive: We went our —ive ways = ieder zijn eigen weg; These persons were condemned to costs — ively = werden respectievelijk (ieder voor zich) in de kosten veroordeeld.

Respirablllty, risp(a)irdblliti, inadem baarheid; adj. Resplrable, respirsol, rispatrdWl.

Resplratlon, respireiè'n, ademhaling: Artlficlal —; Respirator>. = respirateur.<

Respiratory, respireitsri, ademhalings...:

— organs *p ademhalingsorganen. Resplre, rispoid, ademhalen.

Respite* respit, subst. schorsing, uitstel, respijt, geduld; — verb. uitstellen, schorsen, verdagen: Days of - = respijtdagen.

Resplendence, risplend'ns, luister, glans; Resplendent = glans- of luisterrijk.

Respond, rispond, subst. reponsorie, beurtzang tusschen geestelijke en koor (of gemeente) in een deel der Litany en Communiën Service der Angl. Kerk; half-pilaar; — verb. antwoorden, beantwoorden, reageeren (to)» vergoeden, voldoen: He —ed to my summons = gaf gehoor aan; —ent, subst. antwoorder, gedaagde; echtgenoot (in scheidingsproces) ; adj. (be)antwoordende, overeenkomstig: —ent to our wishes = overeenkomstig; — entla, respondensis, leening op de lading van een schip, respondentia.

Response, rispons, antwoord: I donbt — st ik weet niet welk antwoord zal komen; The clerk read the — s = las de antwoorden (kerkdienst); In — to a summons

— ingevolge; Responslbllity, t-tsponsibtliti, verantwoordelijkheid; adj. Responsible.

Responslon, rispon&n, antwoord: —• «= eerste der drie examens voor den B. A. graad (Oxford) = Little Go (Cambr.); Responsive = (be)antwoordend, overeenkomstig; sympathiek: — to your kind word» «t in overeenstemming met (in antwoord op).

Responsory, risponsdri, antwoordend; subst. responsorium.

Rest, rest, subst. rust, kalmte, slaap, doodslaap, bok (bij biljarten of schieten), steun, pauze,

- rust (muz.), rest, overschot, reserve(fonds), de overigen, appeltje voor den dorst (fig*); — verb. rusten, slapen, steunen, leunen, berusten op (on), tot rust brengen, laten uitrusten, laten leunen: A shoeblack'g — = bankje, kastje; He is at — now — de (eeuwige) rust ingegaan; / hope I have set yonr bear t at — on that point =n u hieromtrent gerustgesteld heb; With lance in — = met gevelde lans; We retlred to — at e leven = begaven ons ter ruste; These are glorious times, Christ-

bone = boun; fnll; fooi = ful; e = toonlooze vokaal (zie asleep en care); girl; year= Jïs; long — Ion; ship = sip; occasion = okeia'n; thin; thus = dhus; wine.

Sluiten