Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

501

en in een der hooger gelegen dwarsdoorsneden betreft, deze zijn óf wel direct gegeven óf moeten, b v. wanneer men met een complex van met elkaar in verbinding staande enkelvoudige riviergedeelten te maken beeft of wanneer een kom aanwezig is, naar omstandigheden bepaald worden.

Voor het geval, dat een enkelvoudige rivier van groote lengte in zee uitmondt, volgt de hoogte van den waterspiegel in de benedendwarsdoorsnede uit de getijlijn aan zee en is de hoogte van den waterspiegel in een op grooten afstand van zee gelegen dwarsdoorsnede, waar eb en vloed op den waterspiegel practisch geen invloed meer hebben, constant gelijk aan de hoogte behoorende bij de als aanvangstoestand gekozen berekenden toestand van permanente beweging.

De sub-Commissie C had tot taak uit te maken of het in aanmerking zou komen volgens de gegeven methode den invloed van een verdieping van den Rotterdamschen Waterweg op de hoogwaterstanden te bepalen.

Het daartoe strekkende onderzoek is beschreven in bijlage 8 en heeft geleid tot de volgende conclusies:

t. Dat het mogelijk is langs zuiver theoretischen weg volgens de door het lid G. H. De Vries Broekman gegeven methode met voldoende nauwkeurigheid den invloed van eb en vloed op de benedenrivieren te bepalen;

2. dat toepassing ip het gegeven geval een reusachtigen arbeid en tijd zou vorderen en overbodig geacht kan worden, aangezien de meer empirische door het lid C. W. Lely gegeven oplossing aan het doel beantwoordt.

G. H. DE VRIES BROEKMAN.

Sluiten