is toegevoegd aan uw favorieten.

Waarom niet ?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

geheel vergeten had mijn huishoudelijke bezigheden te vervullen. Hij beweerde, dat ik hem alleen had genomen, omdat ik op de zee verliefd was geworden, en — daar ik toch niet met de zee kon trouwen — faute de mieux toen maar den eersten den besten zeeman had gehuwd!...

„Maar wacht maar, klein vrouwtje 1" zei hij, terwijl zijn vroolijke oogen van onschuldigen spot tintelden, „wacht maar! Die ontrouw aan je wettigen man zal je nog wel ingepeperd worden !... Als de winterstormen komen, en de opgezweepte golven de kust , beuken, — als de wind giert en raast en huilt, en de vlokken zilt schuim tegen de ramen worden gejaagd — dan zul je nog wel genoeg krijgen van je dierbare zee, en dan misschien met hangende pootjes bij je man terugkomen!"

„Hè, Ernst," pruilde ik, „ik vind je niets lief! Je doet net of ik je heelemaal veronachtzaam. Ben ik dan zoo'n slecht vrouwtje voor je ?"

„Nu," zei hij, en trok mij teeder tot zich, „een beetje lief ben je nog wel, maar toch ook nog wel eens erg ondeugend 1 Wat was het anders dan heel, heel stout, toen je van morgen zoo stilletjes was opgestaan voor dag en voor dauw ?... En toen ik wakker werd, en je goeden morgen wou zeggen, waar was je toen ?... Niet op je plaatsje naast me 1 O nee — mijn vrouw had mij verlaten!" declameerde hij theatraal. „En waar was zij ? De nabijheid van haar echtgenoot was zij ontvlucht, en zij stond in haar witte négligé voor het zolderraam te „liebaugeln" tegen haar onbetrouwbaren vriend! Was dat huwelijkstrouw ?... Was dat huwelijksmin ?..."

Op een onweerstaanbaar koddige manier liet hij zich — als door leed overmand — in zijn stoel vallen. En ik — ik lachte, en zette mij op zijn knie om hem te troosten, en — nu ja — wij waren pas getrouwd — wij stoeiden, en waren zoo heerlijk -jong en dwaas, tot wij verschrikt uit elkaar stoven door een kloppen op de kamerdeur.... Toen de meid het volgende oogenblik binnenkwam, zaten wij quasi-verdiept in boek en krant. Maar de stoeipartij had onze wangen verdacht-hoog gekleurd, en Pietje, een reeds oudachtig meisje, keek met een soort van minachting naar haar meneer en mevrouw, die eigenlijk nog wel erg kinderachtig waren.

De najaarsstormen kwamen, deden ons huisje, dat vlak achter den zeedijk lag, schudden op zijn grondvesten, en bedekten de ramen met een vlies van zout, dat het opgejaagde schuim er op