is toegevoegd aan uw favorieten.

Tòch 'n uil!

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

Hoe langer haar vergeefsch wachten duurde, hoe sterker de vrees, dat Ward gesneuveld was, haar pijnigde. De postbode en ging nu maar zelden uit. Hij moest zijn brieven steelsgewijze halen en rondbrengen, want gedurig kwamen er Duitsche troepen door. En felkemale Regine het boodje zag, schudde hij het hoofd, alsvorens zij iets gevraagd had. Ward. Ward! schreide het hart.

Gust bleef ook al zoo lang weg. 't Was al de derde dag. Doch om hem kon ze wel eenigszins gerust zijn. omdat hij bij nonkel Rik was. Maar Ward, Ward, tijdingen van Ward!

Ze stond op den boomgaard nevens den watermolen en keek vlak op 't vensterke, waar Ward zoo dikwijls had uitgekeken, terwijl het water het wiel wentelen deed en binnen het meel in den zak rezelde. In haar gedachten zag ze hem weer in 't vensterke liggen en haar aankijken. Och, dat waren zulk gelukkige oogenblikken geweest. Ward, waar was Ward nu?

De fruitboomen spreidden hunne takken boven Regine open, waar dicht op elkander appelen aanhingen, die in de zon blonken als goudballen. En onder eiken boom onder t lange gers, vertoonde zich een kunstig spel van licht en lommer geweefsel, dat geleek op fijn kantwerk. De bladeren aan de boomen bibberden slechts heel evekes en schenen elkander te aaien.

Er klonken voetstappen. Regine richtte heur blikken van 't vensterke naar den ingang van den boomgaard en zag boodje. welke zonder brieventasch en zonder dienstklak daar aangeschreden kwam. Ze moest hem een tijdeken aankijken, want ze verwachtte, dat hij weer het hoofd schudden en zeggen zou. dat hij niets en had. Maar hij kwam al dichter en dichter bij haar. Zou hij toch bericht

8