is toegevoegd aan je favorieten.

Sociale verzekering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van deze laatste rubriek, de Sociale Verzekeringswetten, zijn op dit oogenblik in ons land in werking de Ongevallenwet-1901 ; de Zeeongevallenwet-1919; de Invaliditeitswet-1913; de Ouderdomswet-1919; terwijl daarnaast, vermoedelijk in zeer afzienbaren tijd nog in werking zullen komen de Ziektewet en de Landbouwongevallenwet.

Dat de sociale voorzieningen, waarop de sociale verzekeringswetten betrekking hebben, nuttig en noodig zijn, dat de Staat er voor waakt dat zij, die geheel op hun arbeidsinkomen aangewezen zijn, bij het verliezen van hun werkkracht door een bedrijfsongeval, door invaliditeit, door ziekte of door ouderdom niet aan hun lot overgelaten worden, waardoor zij tot gebrek en ten slotte tot armverzorging zouden vervallen, is iets, dat door wel haast niemand meer anders dan noodzakelijk zal worden beschouwd. Men kan alleen verschillen over de wijze, waarop zulks dient te geschieden en daarbij doen zich verschillende kwesties van beteekenis voor. Allereerst doet zich de vraag voor wie de kosten dezer voorzieningen zal moeten dragen. In het algemeen zijn er drie mogelijkheden — natuurlijk met de eventueel denkbare overgangen daar tusschen — namelijk: betaling door den Staat, dus door de gemeenschap; betaling door de werkgevers, dus door de bedrijven;

betaling door de werknemers, dus door hen, ten wier behoeve de voorzieningen getroffen worden.

Theoretisch kan men zich op het standpunt stellen, dat het er weinig toe doet wie betaalt, omdat het loon zich niet blijvend zal kunnen verheffen boven zekeren norm, cïïe bepaald wordt door de waarde van het arbeidsproduct onder de minst gunstige omstandigheden, zoodat, waar de kosten in kwestie, de waarde van het arbeidsproduct niet doen stijgen, de arbeider ten slotte toch degene zal zijn, te wiens laste de kosten der voorzieningen in kwestie komen.

Theoretisch moge dit voor het verleden juist zijn, mits rekening gehouden wordt met zeer langdurige perioden, doch wij leven thans in een tijdperk van sprongsgewijze evolutie, waarin het arbeidsloon, dat inderdaad betaald moet worden mede — zoo niet in de eerste plaats — beheerscht wordt door allerlei nieuwe factoren. Steeds meer wint de overtuiging veld, dat de arbeider, die zijn volle werkkracht in dienst van een werkgever stelt als tegen-prestatie voor zijn arbeid behoort te ontvangen een loon, dat een menschwaardig bestaan voor hem en zijn gezin mogelijk maakt en dat verder voor den ouden dag en voor tijden van ziekte of invaliditeit behoorlijk moet worden gezorgd. Op welke wijze deze verzorging zal plaats hebben, of dit geschieden zal door verplichte verzekering en zoo ja, of de premie voor deze verzekering door den werkgever, dan wel door den arbeider uit het door hem ontvangen loon geheel of gedeeltelijk zal worden betaald is een vraag van utiliteit, die onder verschillende omstandigheden ook verschillend zal moeten worden beantwoord.