is toegevoegd aan je favorieten.

Sociale verzekering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

geldelijke gevolgen van ziekte niet uitsluitend ten laste van de bedrijven, maar voor rekening van werkgevers en werknemers gezamenlijk gebracht worden. Invaliditeit als gevolg van ziekte of ouderdom is iets, waaraan ieder lid der samenleving, onafhankelijk van den aard van het bedrijf, waarin hij werkt, bloot gesteld is. (Hierbij schakel ik de invaliditeit, die een gevolg is van bepaalde bedrijfsziekten uit). En daarom is het standpunt, dat de geldelijke gevolgen van eene voorziening daartegen uitsluitend door het bedrijf gedragen moeten worden, niet steeds vol te houden en zijn er vele gevallen denkbaar, dat de gemeenschap te hulp zal moeten komen.

Bij de verschillende sociale verzekeringswetten, zooals wij die hier te lande hebben, is niet in alle opzichten naar de boven medegedeelde inzichten inzake het opbrengen van de kosten gehandeld.

Bij de Ongevallenwet-1901, in hoofdzaak bestemd voor de industrieele en transportbedrijven, alsmede voor enkele handelsondernemingen, worden de kosten inderdaad uitsluitend opgebracht door de werkgevers. Teneinde de medewerking der arbeiders bij het voorkomen van ongevallen zooveel mogelijk te bevorderen wordt echter slechts een zeker percentage van het vroeger verdiende loon aan de getroffenen of hun nagelaten betrekkingen uitgekeerd. Bovendien heeft voor iederen arbeider in den zin der wet de voorziening slechts betrekking op een maximumloon (tot aan f8.— per dag), terwijl hij bij hooger verdienste voor het meerdere geacht wordt eigen risico te kunnen dragen.

Bij de Zeeongevallenwet-1919 zien wij in hoofdzaak hetzelfde, echter met dit verschil, dat de staat voor bepaalde bedrijven, die geacht worden niet ten volle met de kosten der voorgeschreven voorzieningen te kunnen worden belast, ten deele medebetaalt.

Bij de Ziektewet-1913, die echter nog niet tot uitvoering is gekomen en die vóór de invoering nog gewijzigd zal worden, heeft men het beginsel van samen betalen door werkgever en werknemer tot nog toe gehandhaafd.

Bij de voorziening tegen invaliditeit door ziekte en ouderdom (Invaliditeitswet-1913) heeft men zich aanvankelijk op het standpunt gesteld, ,dat de kosten gelijkelijk door werkgevers en werknemers moeten worden gedragen, maar vóór de invoering op 3 December 1919 zijn de kosten geheel gebracht ten laste van de werkgevers, hetgeen absoluut in strijd is met hetgeen op billijkheidsgronden mocht worden verwacht.

Met betrekking tot de ouderdomsvoorziening meen ik nog het volgende te mogen opmerken. Het zou ongetwijfeld het eenvoudigste geweest zijn ieder, die den leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, recht te geven op een ouderdomspensioen ten laste van de schatkist, d.w.z. ten laste van de gemeenschap. Daardoor zou ieder in die kosten, naar evenredigheid van zijn aanslag in de belastingen hebben bijgedragen, terwijl door den Burgerlijken Stand, zonder administratieven omslag, had kunnen worden

6