is toegevoegd aan je favorieten.

Te huur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn krankzinnig verlangen, de eenige nederlaag, die hij geleden had, dit alles zou voor goed voorbij zijn wanneer zij ditmaal uit zijn gezicht zou verdwenen zijn. Zelfs zulke pijnlijke herinneringen hadden hun eigen vreemdsoortige waarde. Zij keek ook om. En plotseling wuifde zij even met haar gehandschoende hand, op haar lippen kwam een flauwe glimlach, en haar donkere oogen schenen te spreken Nu was het Soames' beurt om niet te antwoorden op dien glimlach en dat kleine afscheidsgebaar; hij ging de deftige straat in, van top tot teen bevende. Hij wist wat zij had willen zeggen: „Nu ik voor altijd uit jouw bereik en dat van je familie ga vergeef mij nu; ik wensch je alles goeds toe." Dat was de beteekenis, het laatste bewijs van die vreeselijke werkelijkheid - boven alle zedelijkheid, plicht en gezond verstand - boven haar afkeer van hem, die haar lichaam bezeten, maar nooit haar geest of haar hart bewogen had. Het deed pijn, ja; - meer pijn dan wanneer haar gelaat strak gebleven was en niet had bewogen.

Drie dagen later, in de October-maand waarin 't loof zoo snel geel wordt, nam Soames een taxi, naar de begraafplaats Highgate, en liep langs de witte zuilen naar het familiegraf der Forsytes. Dicht bij den ceder, boven catacomben en columbaria, groot, leelijk en met een persoonlijk cachet, leek het de bekroning van een systeem van wedijver. Hij herinnerde zich een gesprek, waarbij Swithin er voor geijverd had om op de voorzijde den faizant uit hun wapen aan te brengen. Het voorstel was toen verworpen, een steenen krans gekozen, waarop de eenvoudige woorden: „Het familiegraf van Jolyon Forsyte: 1850", geschreven stonden. Het zag er netjes uit. Elk spoor van de begrafenis was reeds verwijderd en het sobere grijs lag droefgeestig in den zonneschijn. De heele familie lag daar nu, behalve de vrouw van den ouden Jolyon, die krachtens een overeenkomst naar haar eigen familiegraf in Suffolk was gebracht; den ouden Jolyon, die op Robin Hill lag, en Susan Hayman, die veibrand was, zoodat niemand wist, waar zij was. Soames keek er met voldoening naar — het was alles massief en vereischte weinig