is toegevoegd aan je favorieten.

De nieuwe Uilenspiegel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

304

HET BOEK VAN

— „Het vaderland moet ge zeggen. Niet het mijne alleen".

— ,.Ik begrijp u niet".

— „Beproef het. Ik werk voor het Vaderland, voor 't vaderland van alle rechtveerdige en liefderijke menschen, — want wij, Vlamingen, willen absoluut daarbij hooren. Onthoud wat ik u zeg. Het is waarschijnlijk de laatste keer, dat ge mij ziet en hoort".

— „Waarschijnlijk, inderdaad".

Plots bleef Uilenspiegel staan. Hij keek den Gouden Tand in de oogen.

i— „Weet ge wel" vroeg hij, „dat wij verraden zijn? Gij schijnt er waarlijk niet aan te denken".

De Gouden Tand schrok. Thijl Uilenspiegel vervolgde:

'm „En weet gij waaraan ik het verraad herken? Aan zeker voetstappen, die ik op dezen weg bespeur, — en aan uwe woorden!"

De andere sprong op afstand en zijne hand schoot tastend in zijn binnenzak. Maar Thijl was hem te lijve en wierp hem onder zijne knie. Hij smeet den revolver weg, dien de Gouden Tand in zijn vuist reeds knelde, en sprak kalmpjes:

— „Indien ge roept, verbrijzel ik u den schedel. Zet u neer en zwijg".

De rekruten kwamen bij. Thijl opende den ransel dien hij op den rug droeg, en nam er een tang en een zeel, welke hij vóór zich in het gras het vallen.

— „Jongens", begon hij, „deze kerel heeft dertig maanden geslapen onder mijn dak en gegeten aan mijne tafel. Ik had hem uit deernis opgenomen, want hij had zich voorgedaan als een gewonde soldaat, die vóór den overweldiger moest vluchten. Dertig lange maanden heeft hij me bespied. Vandaag was zijn plan om mij aan den vijand over