is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag aan het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

18—17 en 120—19). In 1906 wordt.de bank in raai 20—19 nog ongeveer te zelfder plaatse bevonden als in 1905, doch wat verlaagd en versmald, en in de 4 overige raaien (d.i. tusschen de hoofden 15 tot 19) komt de bank nabij den afstand van 400 M. nog even te voorschijn. Reeds in 1907 ziet men de bank niet meer, ook niet in raai 20—19, alwaar de in 1906 nog aanwezige bank (met eene minste diepte van 26 d.M.) heeft plaats gemaakt voor 2 M. meerdere diepte. Na 1907 heeft het geduurd tot 1915 voordat de bank weder terugkwam, waaruit volgt dat het strand in de jaren 1907 tot 1914 van de bescherming der bank verstoken is gebleven. Het zijn dus voornamelijk deze 8 jaren, welke wij' op de bladen hebben te beschouwen om na te gaan wat het strand in dien tijd is wedervaren.

Bij eene aandachtige beschouwing springt eene strandverlaging niet in het oog. Wel vertoont de LW.-lijn in eenige jaren eene terugwijking, welke men in verband zou kunnen brengen met het nader aan het strand liggen (binnen 200 M. uit de strandpalenlijn) van de dieptelijn van 40 d.M., waar dit samengaat met het ontbreken van een bank als bedoeld; maar de telkens afwisselende cijfers op een zelfden afstand uit de strandpalenlijn kunnen geene aanleiding geven om eene bepaalde strandverlaging aan te wijzen. Waar zij nu en dan voorkomt, volgt weder herstel.

Do banken veranderen eh verdwijnen om weder te verrijzen; zoo gaat het afwisselend langs dit gedeelte der kust, zonder dat daarbij groote diepten voorkomen, daar deze zich bepalen tot weinige meters.

In de hier voorafgaande algemeene beschouwingen is reeds gewezen op de beteekenis van het bevestigen der zeeëinden en koppen van strandhoofden en op den daarvoor gewenschten vorm: een lichaam met breeden voet onder flauwe belöopen vooruit en ter zijde.

Waar al de hoofden op het strand van Terheijde tot het afvoerkanaal een eind buiten de LW.-lijn in zee reiken, zijn zij ook als stroomleidende werken aan te merken en om aan die bestemming te voldoen is een goede voorziening aan de koppen in den aangegeven vorm noodig.

Omtrent den aanleg van de koppen der bestaande hoofden is weinig met zekerheid bekend. Blijkens het bestek van aanleg zijn de koppen der hoofden 36—38 opgezonken op een vooruitstekend grondstuk van £}5 M. breedte, maar omtrent hoofd 35 en omtrent de vroeger aangelegde hoofden 12—34 verkeert men dienaangaande in onzekerheid. Alleen zijn in het „Boek" over de hoofden, aangehaald op blz. 73, aanteekeningen gevonden, waaruit blijkt dat in de jaren 1882—1885 bij elk van de hoofden 1'2—34 eene oppervlakte zinkstuk „tegen den kop" is aangebracht, bij eenige ter grootte van 225 M2., bij andere wat grooter tot hoogstens 430 M8.

Zooals ons is medegedeeld, wordt bij deze hoofden ervaren dat, wanneer op Delfland's naar het NW. gekeerde kust langdurige en krachtige noordelijke winden waaien, eene verdieping aan de zuidzijde en bij! dergelijke westelijke winden eene verdieping aan de noordzijde der hoofden binnen de koppen ontstaat. Herhaaldelijk worden dan ook voorzieningen gevorderd aan de koppen en langs de zeeëinden.

Dit laatste kan geenszins bevreemden, omdat het een recht-