is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag aan het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

streeksch gevolg is van het verloop van het strand. Met den ger leidelijken overgang van de LW.-lijn en van het natte strand tot een toestand van evenwicht, zijn de zeeëinden van de hoofden meer en meer buiten de LW.-lijn en daarmede de kanten naar binnen over grootere lengte blootgesteld komen te liggen. Hoe de voorziening van de koppen bij den aanleg ook moge zijn geweest en al is aan te nemen dat de in 1882 tot 1885 aangebrachte bezinkingen destijds voldoende waren, de koppen en de kanten van de zeeëinden zullen daarom toch voorzieningen blijven eischen. Geschieden deze voorzieningen op de bovenbedoelde wijtee, dan zullen de hoofden ook beter als stroomleidende werken dienst kunnen doen, waarvan dan eene gunstige uitwerking op de bevestiging van het strand is te verwachten.

De gewenschte versterking geldt vooral voor de hoofden 12—35, terwijl met betrekking tot de hoofden 36—38, waarvan bekend is dat. de koppen op een grondstuk zijn aangelegd, toch ook de aandacht op eene mogelijk voorkomende behoefte aan versterking moet gevestigd blijven. >' • -

Nog een enkel woord over de duinen.

Boven hebben wij reeds opgemerkt dat, met uitzondering van enkele daarbij genoemde vakken, een voldoend breed duin aanwezig is om een verderen achteruitgang! van DV. toe te laten.

Zooals overal, liggen ook de duinen van Delfland zeer ongelijk: afwisselend hoog en laag. Met den rand aan de zeezijde is dat mede het geval en de zeer hooge duintoppen aldaar zijn voor de zeewering niet van rechtstreeksch nut. Zelfs hebben wij hooren beweren dat zij niet bevorderlijk zijb aan de verzwaringj door aanstuivend zand van den duinvoeten dat de middelen, welke worden aangewend om aldaar aanwinst te bevorderen, beter slagen tegen minder hooge duinen. Van het eind van den spoorweg, ter hoogte van hoofd 16, wordt noordwaarts een breed duinplateau aangetroffen, minstens ter hoogte van den zanddijk, waarop de spoorweg ligt, en zich uitstrekkende tot benoorden hoofd 18: dat plateau is verkregen door de hooge en lage duineri aldaar gelijk te maken.

Eene beschouwing van de door aanstuiving verkregen aanwinst na den stormvloed van 13 Januari 1916 maakt werkelijk den indruk dat deze aanwinst langs het op gelijjkmatige hoogte ligtgend duin van het plateau meer bedraagt dan bij de noordwaarts aansluitende veel hoogeje duintoppen. Wellicht zou het de moeite en kosten kunnen loonen om met het afgraven van de hooge toppen en het vullen van laagten tot vorming van een meer gelijkmatigen duinrand langs het strand voort te gaan, voorzoover de plaatselijke gesteldheid zulks medebrengt. Wij' meenen daarop de aandacht te moeten vestigen.

Bovendien zouden dergelijke werkzaamheden ook in een ander opzicht van nut kunnen zijn, waar zij zouden strekken in het rechtstreeksch belang van de veiligheid van de zeewering, b.v. wanneer door den nog te verwachten achteruitgang van DV., waar deze toelaatbaar is, lage en smalle gedeelten duin tusschen hooge toppen zouden overblijven en dientengevolge, niettegenstaande het'geheele duingebied breedte te over heeft, eenig gevaar kan ontstaan voor doorbraak bij hooge stormvloeden en inloopen van achtergelegen laagten. Waar de plaatselijke ge-