Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tffl

zij mij steeds tegemoet kwamen, van wie ik dan de Voorzitter, Secretaris en de Voorzitter van de Commissie voor het Buitenland in 't biezonder noemen mag. Ditzelfde geldt ook van Prof. Chantepie de la Saussaye, buitengewoon lid van het Hoofdbestuur, die mij gedurende mijn studietijd veel vriendelikheid bewezen heeft, en wien ik voor mijn geestelike vorming en voor een dieper besef van de aard van mijn toekomstig werk veel verschuldigd ben.

In hoge mate ben ik dat U, hooggeachte Dr. Adriani, afgevaardigde van het Ned. Bijbelgenootschap, voor de wijze, waarop U mij hebt leren verstaan, hoe een primitief volk te benaderen, te kennen, lief te hebben en wat het Christendom zulk een volk te zeggen heeft U zelf zijt een levende illustratie van de aard en het wezen van het werk, dat mg wacht. Aan U heb ik het te danken, dat ik met het Ned. Bijbelgenootschap in aanraking kwam. In Uw brieven en in persoonlik verkeer hebt Gg mij steeds opgewekt en aangemoedigd door Uw bezielende geestdrift.

Ook voor Uw voorlichting bij de keuze van het onderwerp van mijn proefschrift en Uw steun bjj de bewerking ondervonden, heb ik U zeer te danken.

De H. H. Van Baarda, Fortgens, Ellen, Metz, zendelingen van de Utrechtsche Zendings-Vereeniging, heb ik hartelik dankbaar te zijn voor hun hulp en bijstand, waardoor mij de studie van de Noord-Halmahera talen zeer vergemakkelikt is.

Ten slotte een woord van dank aan allen, die mij op de Bibliotheek steeds bereidwillig hulp verleenden.

Sluiten