is toegevoegd aan uw favorieten.

Simulatie in het privaatrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

van den molen door schenking te doen overgaan; de vorm was slechts gekozen ter ontduiking van hooger recht. 6 September 1907 overleed de weduwe, Odijk als haar eenigen erfgenaam achterlatende. Deze betaalde 2 April 1908 vrijwillig het suppletoir, nadat hij 10 Maart tevoren eene memorie van aangifte voor de successie had ingediend zonder daarop den molen te vermelden. Het Bestuur der Registratie stelde zich op het standpunt, dat dit wèl behoorde te zijn geschied, daar de eigendom van den molen tijdens het leven der weduwe niet op Odijk zoude zijn overgegaan: de overeenkomst was geen koop geweest, want de wil daartoe ontbrak — geene schenking, want er was geene uitdrukkelijke schenkings-acte. De Rechtbank gaf het Bestuur gelijk:

„O. dat door deze schijnhandeling de koopovereenkomst „noch de schenking is tot stand gekomen; de koopovereen„komst niet, daar de wil daartoe, zooals eischer volmondig „erkent, bij beide partijen ontbrak, de schenking niet omdat, „hoewel de wil daartoe wel aanwezig was, daarvan niet is „gebleken in den vorm, door de wet op straffe van nietigheid „voor het tot stand komen van de overeenkomst van schenking „vereischt."

De beslissing was hier niet gebaseerd op het geheel ontbreken eener notariëele acte, doch veelmeer op het ontbreken in die acte van de uitdrukkelijke aanneming der schenking. Art. 1720 schrijft voor, dat eene schenking, om voor den schenker verbindende te zijn, „in uitdrukkeüjke bewoordingen" moet zijn aangenomen. Diephuisl) schrijft hierover: „Het is „niet noodig, dat daarbij juist van aanneming wordt gesproken, maar het is ook niet voldoende, dat uit de verklaring „van den begiftigde in verband met zijne onderteekening

!) XI, -482.