Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

449

onder het juk van een wreeden geveinsd Dwingeland moest zugten. De Heilzon der Vrijheid is nu geheel doorgebrooken, de zwarte Wolken, die haaren Luister aan onze oogen onttrokken, zijn thans geheel weggeschooven: het zijn de dappere en grootmoedige Franken, onze Vrienden en Broeders, aan wie wij dat heil verschuldigd zijn; zij zijn onze Verlossers, en de Voorzienigheid, welke alle de lotgevallen van deeze Waereld tot het beste einde bestierd, heeft op eene wonderbaare wijze den weg voor onze Verlossers gebaand. Geluk, driewerf geluk, waardste Medeburgers en Broeders! Wij zijn vrij, wij zijn gelijk; en het Gemeenebest van Holland hoopen wij weldra door de nauwste banden, en voor altoos, vereenigd te zien met haare Zuster, de Republicq der Franken. Brielsche Bataaven! uwe Vertegenwoordigers, die gij door uwe toejuichingen openlijk verkoozen hebt, om bij voorraad voor uwe belangen te zorgen, roepen U uit den grond hunner harten en met vreugde toe: „Heil en Broederschap I" wenschende, dat de Vrijheid en Gelijkheid op den Bataafschen grond mogen groeien en bloeien tot aan het einde der Eeuwen." *)

Ik stel mij voor, dat na zulk eene rede van den advocaat-fiscaal Tulling(h), de uitgelatenheid der eerzame Briellenaars, wien de begrippen „Vrijheid en Ge* lijkheid" naar het hoofd waren gestegen, rondom dien Vrijheidsboom het toppunt bereikte, de leden van de sociëteit „Gelijkheid en Eendragt" en Van Lith, die den 28sten Maart tot hd van den Raad was benoemd, voorop !

1) „Jaarboeken" enz, CXCII p. 266 en p. 267.

29

Sluiten