is toegevoegd aan uw favorieten.

De voorhof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

MORGENLIED

Mijn God, na dezen milden morgengang, Bezinkt in mij deez' zoetgestemde zang.

Dit klinke, zuiverlijk, als een cantiek Van aardegeur en engelenmuziek.

De weiden en de plassen staan nu wijd Als schalen open naar de eeuwigheid.

De wateren zijn zonneloos bestraald

Met glans, die dronken in zich zeiven daalt.

Als matelooze vazen opgericht,

De kelk ten boorde vol van morgenlicht,

Hebben de appelboomen, laag en wijd, Hun zilverige kronen uitgespreid.

In 't koele licht, dat langs de loovers plast, Hangt stil het ooft, dat naar de rijpte wast.

8

i»7