is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de staatscommissie voor de reorganisatie van het militair onderwijs bij de landmacht [ingesteld bij Kon. Besluit van 2 Juni 1910, no. 135]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de pioniertroepen en slechts voor een deel der aanstaande officieren daarop eene hoogere ingenieurs-opleiding te laten volgen.

De Commissie is van oordeel, dat laatstbedoeld stelsel voor onze behoeften niet bruikbaar is en het noodzakelijk is, aan alle aanstaande officieren der genie, ook die bestemd_ voor het Nederlandsch-Indische leger, de volledige ingenieurs-opleiding te geven x).

Ontegenzeggelijk zullen de kosten van de opleiding voor het wapen der genie, vergeleken bij die voor de andere wapens, aanzienlijk veel hooger zijn, met name ook hierdoor, dat, indien gemiddeld voortdurend 2X6 = 12 luitenants der genie nog in opleiding zijn, de organisatie met een even groot aantal officieren zal moeten worden uitgebreid.

Daarenboven is het de vraag of, gelet op de reeds thans opgedane ervaring, het niet onvermijdelijk zal blijken, de traktementen van de officieren der genie belangrijk te verhoogen, indien de eischen voor hunne opleiding zooveel hooger worden gesteld en men toch van eene voldoende aanvulling verzekerd, wil zijn.

Intusschen zal dit laatste bezwaar zich, ten opzichte van de officieren, die voor de ingenieurs-opleiding in aanmerking komen, steeds voordoen. Daarenboven zouden, in verband met het betrekkelijk gering aantal officieren van het regiment genietroepen, de kosten van de opleiding slechts voor een gedeelte worden verminderd, namelijk voor ongeveer 2/7. Voorts zou ook de regeling van eene afzonderlijke bevordering van de officieren, die uitsluitend eene pionier-opleiding hebben ontvangen, op zeer groote bezwaren stuiten. Doch zelfs, al ware dit niet het geval, dan nog zou de Commissie van meening zijn, dat alle officieren der genie de volledige ingenieurs-opleiding moeten ontvangen. Dit oordeel steunt op de volgende overwegingen.

Voor eene grondige studie van verschillende vraagstukken, welke zich op het gebied van den dienst der genietroepen, zoowel wat de aanschaffing van het materieel als wat de uitvoering van werken betreft, zullen voordoen, o. a. omtrent brug- en spoorwegbouw, vernielingen van constructiën in hout, ijzer en metselwerk, telegrafie (ook draadlooze), luchtvaart, zoeklichtinstallaties, enz., is eene vrij uitgebreide wiskundige en technische opleiding noodig. Daarenboven doet zich bij de grootere troepenverbanden, in den veld- en in den vestingoorlog, zoowel bij aanval als bij verdediging, behoefte aan technischen arbeid van zulk een omvang gevoelen, dat daaraan ook de groote massa der andere troepenafdeelingen zal moeten deelnemen, dat ook de werkkrachten der burgermaatschappij te hulp zullen moeten worden geroepen onder deskundige leiding en daaraan ook de hulpmiddelen der landstreek zullen moeten worden dienstbaar gemaakt. Het organiseeren en leiden van zulk een arbeid vordert een technischen staf, samengesteld uit militaire ingenieurs, — practisch bekwame ingenieurs — die reeds gewerkt hebben met zulke krachten en hulpmiddelen, weten hoe een werk met al zijne hulpwerken wordt georganiseerd en bekend zijn met wat onze fabrieken produceeren. Aan technische kennis dienen zij te paren de kennis der militaire wetenschappen, welke hun tot richtsnoer zal zijn bij de toepassing. Voor den genieofficier in Indië komt daarbij nog, dat bij expeditiën de werkzaamheden van den officier der genietroepen veelal samenloopen met die van de officieren van den staf van het wapen, terwijl — vooral in de laatste jaren — de genietroepen aldaar herhaaldelijk worden gebezigd voor het verrichten van werkzaamheden, als bouw van spoorwegen, aanleg van wegen, telegrafische verbindingen en waterleidingen, welke, zoo wat voorbereiding als wat toezicht aangaat, technisch onderlegde officieren voor de leiding vereischen.

Een pionierofficier zonder ingenieursloopbaan achter zich, wordt door de Commissie niet geschikt geacht voor zijne oorlogstaak in den ruimsten zin

i) Zie hoofdstuk III. Na benoeming tot tweede-luitenant wordt nog gedurende twe.e jaren de opleiding voortgezet.