is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de staatscommissie voor de reorganisatie van het militair onderwijs bij de landmacht [ingesteld bij Kon. Besluit van 2 Juni 1910, no. 135]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgevat; al zal hij zijn peleton goed kunnen bevelen en reglementair beoefende werkzaamheden doen verrichten, voor het hem aan te wijzen ruimere arbeidsveld ontbreekt hem de opleiding en de practijk van den ingenieur. Als het Départs* ment van Oorlog geen eigen ingenieursdienst bezat, zou het voor eene goede opleiding van zijne pionierofficieren moeten trachten, hen tijdelijk bij den technischen dienst van andere departementen werkzaam te doen stellen, ten einde hen daar toeh- vooral den practischen blik van den ingenieur te laten verkrijgen.

In de Instructie werd dan ook aangenomen, dat aan alle aanstaande genieofficieren de ingenieurs-opleiding wordt gegeven, en daarmede in beginsel voorgestaan, den toestand te bestendigen, waarbij de officieren der genie zoowel voor den dienst bij de genietroepen als voor dien bij den staf bestemd zijh. Daarenboven zou eene splitsing van het korps genieofficieren voor een klein leger als het onze (zoo hier te lande als in Indie) reeds uit een practisch oogpunt uitgesloten zijn, omdat de sterkte dier beide onderdeelen zoo gering zou worden, dat de vooruitzichten der daarbij ingedeelde officieren niet in eene juiste verhouding zouden staan tot de eischen, aan hunne opleiding te stellen. Trouwens, bij verreweg de meeste Europeesche legers, ook de grootere, wordt deze splitsing niet aangetroffen.

Bij de tegenwoordige regeling van het militair onderwijs geschiedt de opleiding tot genieofficier, gerekend van de toelating tot de Koninklijke Militaire Academie te Breda, in drie jaar. Neemt men in aanmerking, dat voor die toelating ongeveer dezelfde kennis yereischt wordt als voor de toelating tot de Technische Hoogeschool te Delft en dat op deze inrichting de studie voor civielingenieur vijf jaar duurt, dan is het duidelijk dat — de wijze van opleiding nog buiten beschouwing gelaten, — bij eene dergelijke regeling de genieofficier ónmogelijk behoorlijk voorbereid kan worden voor zijn werkkring.

In een artikel in de Vragen des Tijds van 1901 werd door den toenmaligen Kapitein-ingenieur, hoofd van onderwijs in de genievakken aan de Koninklijke Mihtaire Academie, P. C. J. Noorduijn het onvoldoende van de ingenieurs-opleiding van den genieofficier aangetoond. Uit een vergelijkend overzicht der lesuren, aan de Koninklijke Militaire Academie en aan de Polytechnische School voorde ingenieursvakken bestemd, bleek duidelijk hoeveel de cadetten in dit opzicht te kort kwamen en hoe in het bijzonder voor lijnteekenen — het voor den aanstaanden ingenieur zoo uitermate belangrijk vak — te weinig tijd beschikbaar kon worden gesteld.

Tot verbetering in dien toestand werd voorgesteld eene opleiding voor den genieofficier in denzelfden trant als voor den officier van gezondheid, namelijk eerst studie aan de Polytechnische School en daarna een jaar militaire opleiding bij het korps genietroepen te Utrecht.

Dit artikel werd in de Militaire Spectator van 1901 besproken door den toenmaligen Majoor-ingenieur C. J. Snijders, gewezen hoofd van onderwijs inde genievakken aan de Koninklijke Militaire Academie die, zich aansluitende aan het betoog omtrent de onvoldoende ingenieurs-opleiding van den genieofficier, in overweging gaf, den studietijd aan de Koninklijke Militaire Academie voor de genie met één jaar te verlengen, aangezien z. i. bij eene opleiding volgens het voorstel-NooEDuuN zoowel de militaire vorming als de militaire vakkennis van den genieofficier beneden de daaraan te stellen eischen zouden blijven.

Beide bovengenoemde officieren werden in 1906 door dén inspecteur van het' wapen der genie in commissie benoemd, om — in overleg met den toenmaligen Kapitein-ingenieur F. R. van Roijen, hoofd van onderwijs in de genievakken aan. de Koninkhjke Mihtaire Academie — advies uit te brengen omtrent de vraag, hoe de opleiding zou moeten gewijzigd worden, om den genieofficier volledig' geschikt te maken voor zijn werkkring, eene vraag, welke door den toenmaligen Minister . van Oorlog gesteld was in verband met het plan tot het voorstellen van eene reorganisatie van het militair onderwijs.

Gebreken in de

bestaande opleiding van den genieofficier en

voorstellen tot verbetering vóór 1910.

22