Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

schouwd, dan moeten deze ter kennis worden gebracht van een Commissie uit het Storthing van ten hoogste 9 leden. Deze Commissie houdt die stukken geheim, doch zoodra er één lid in de Commissie is, die het verlangt, moeten ook die geheime stukken ter kennis van de Tweede Kamer worden gebracht.

Dat de macht, van de Kamers ten aanzien van regeeringsstukken in Noorwegen zeer groot is, blijkt ook hieruit, dat de Kamers inzage kunnen nemen van de Notulen van den Ministerraad.

Een Commissie uit het Parlement voor de Buitenlandsche aangelegenheden zal — ziedaar de conclusie waartoe dit alles leidt — ook ten onzent in het leven moeten worden geroepen. Uit één of uit beide Kamers? meenen, dat het doelmatig is, zoo er gevormd wordt een Commissie uit de Tweede Kamer alleen. Moest de Regeering werken met twee Commissies, het kon aanleiding geven tot allerlei moeilijkheden. Hoe, indien beide Commissies een geheel tegengestelde meehing hebben omtrent een te behandelen onderwerp? Hoe zal de raadpleging der Commissie met de Eerste Kamer moeten plaats hebben ? Vóórdat de Tweede Kamer het onderwerp heeft behandeld? Maar dan geeft men de Eerste Kamer een functie, die zij in ons staatsleven nooit bezeten heeft en niet bezitten moet. Nadat de Tweede Kamer het onderwerp heeft afgehandeld? Maar dan kan de taak Van de Commissie uit de Eerste Kamer weinig of niets beteekenen en ook dan zou de Eerste Kamer een grootere machtspositie krijgen dan zij thans heeft

Daargelaten de vraag naar de grondwettigheid van een parlementaire Commissie, a'in welke bevoegdeden tegenover de Regeering zouden worden toegekend, (waarover onder V zal worden gesproken) denken wij ons de taak en werkwijze dezer Commissie als volgt:

De Regeering zal verplicht zijn aan de Commissie de mededeelingen te doen, die deze verlangt. Ook uit eigen beweging behoort de Regeering aan de Commissie inlichtingen te geven over zaken, de Verhouding tot het buitenland betreffende. Zal de

verhouding tusschen Regeering en Commissie een juiste zijn, dan heeftmet de Commissie regelmatig voeling te houden en haar oordeel te vragen. Wat de geheimhouding betreft, lijkt het voor ons land niet gewenscht aan één lid der Commissie, zooals in Noorwegen, de bevoegdheid te geven de geheimhouding te verbreken. Wij meenen echter, dat indien een meerheid van de Commissie van 2/3 van oordeel is, dat mededeeling aan de Kamer behoort te geschieden, deze mededeeling zal moeten plaats hebben, en wei in ComitéGeneraal. De Kamer zelf heeft dan te beslissen, of zij aan het in Comité-Generaal medegedeelde openbaarheid zal geven.

Art. 94 der Grondwet, regelende het in terpellatierecht der Kamer, bepaalt, dat de Regeering aan de Kamer alleen inlichtingen mag weigeren, indien zij meent, dat het landsbelang zich tegen het geven daarvan verzet. Zal de Regeering de inlichtingen, die zij de Kamer in haar geheel onthoudt, kunnen geven aan een Commissie uit haar midden? Zij,, die van oordeel zijn, dat art. 57 der Grondwet inmenging der Kamer in 's Konings opperbestuur uitsluit en dat de Grondwet dus niet toelaat de instelling van een parlementaire Commissie met bevoegdheden tegenover de Regeering, zij zullen het met de bestaande Grondwet ook onvereenigbaar achten, dat de parlementaire Commissie aan de Regeering de in haar oog wenschelijke inlichtingen vraagt en deze ontvangt. Voor hen (en een der leden onzer Commissie behoort tot de zoodanigen) zal dus eerst Grondwetsherziening noodig zijn, die uitdrukkelijk de bevoegdheden der Commissie tegenover de Regeering buiten twijfel stelt.

Doch ook dan — en voor de meerderheid onzer Commissie, die Grondwetsherziening niet noodig oordeelt, reeds nu — blijft de vraag, of de Regeering, die naar de bepalingen der Grondwet de inlichtingen heeft te geven aan de geheele Kamer, haar mededeelingen kan beperken tot een Commissie uit de Kamer. Het antwoord hierop zij tweeledig:

Vooreerst, dat het de Kamer zelf is, die door de instelling van deze Commissie oor-

Sluiten