is toegevoegd aan uw favorieten.

De weg van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SLAAF VAN HET OOGENBLIK Toen ik een kind was droomde ik mij geen lot, Zoomin als later. Ik genoot de dag Of leed hem, maar het lijden kende ik eerst Als het voorbij was, zooals grieksche helden Goden eerst kenden aan hun nek, in 't gaan. Zij die hun jeugd als een verloren schoonheid Betreurden of wie ieder levensjaar Hun heil in 't laatre zagen, en — wie weet •— Na 't allerlaatste, zoodat nooit het heden Hun schoon scheen, haatten en benijdden mij, Heetten mij huichlaar, zelfgenoegzaam-koele, Narcissus wieglend voor zijn eigen beeld Uit spijt omdat de onzichtbre lichaamlooze Hem niet verhoorde. Maar ik enkel kende De eene die alles: hart en oogen, vult, Komende en vliedende en toch altijd daar En altijd anders. Ik was levenslang Verslonden in haar wisslende eigenheid. Het Oogenblik haar naam. Zij duldt geen zijdlings Naar toekomst of verleden zien, ze is enkel In 't midden van 't gezichtsveld, wil daar heel In-eens geschouwd, beleefd, gegrepen zijn Bij 't bliksemlicht van haar verschijning. Hem Die daar haar afwacht en met jeugdig vuur, Manlijk beraad of grijze wijsheid eert, Geeft ze in rimplooze duur en ongescheiden Stroom van haar droppen 't ongezocht geluk Van 't breukloos leven. Daarom kon ik mij Daaglijks zien als een fenomeen, mijn denken Niet als vraag waardige meening waar een ander Zijn meening naast hield, maar als nieuw, eenmalig Gebeuren, plotseling ontstaan en eensklaps Verdwijnend. Woorden vingen in hun maas Zooveel van strooming en gestalte als deugde Tot overdracht op menschen. Ik ontving

91