is toegevoegd aan uw favorieten.

De weg van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De levenswil die in mij werkte als meer Dan enkel mijne, als grondgolf van een zee Dieondergrondsch geheim en 't blind geweld Dat stamt van de gesternten mededeelde Aan al haar baren en door deze aan elk Van haar atomen. Waar die eene golf Brak, op een enkel punt van haar verstuiving In 't licht van mijn bewustzijn, leefde ik. Nochtans Achter de sluier van haar züverschuim Vormt zich — haar wezen en het mijne in-een — Een spieglende verbeelding. Als een boot Van zang en stralen dragen haar mijn woorden De branding uit: beeld van mijzelf, maar tevens Beeld van de aan elke mensch verwante god. Na iedre ontmoeting met dit Oogen blik Vond ik mij anders: iedre nieuwe droom Was lots-verkeering, nooit van ver voorzien, Gehoopt niet noch bestreefd, maar als een deur Die achter me in het slot sprong en een berg wand Steil aan mij n zijde, of, inniger, dieper nog, Richtinggevoel in 't bloed, dat onmiskenbaar Mij dreef als ijzer waar een zeilsteen'trekt. Zoo was mijn droom mijn lot, mijn lot mijn droom Want in mijn droom besloten, nooit een doel Van eigenwillige mooglijkheid, altijd Een haven —»welke 't dan ook zijn mocht — van Die onafmeetbre en peilloos diepe zee Die wij bevaren, die het leven zelf En aan geen mensch-doel onderworpen is. Zoo zijn de wegen tusschen droom en lot Geen andre wegen dan van droom tot droom, Van godlijk Oogenblik tot Oogenblik.

92