is toegevoegd aan je favorieten.

Nota betreffende de afdeeling Koerintji. De Minangkabausche Nagari

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

Bladz.

a. Ontstaan (91); Pariangan Padang Pandjang het oudste centrum (91); Eerste vestigingen (91 —92); Afdaling naar de vlakte en bouwen van kótrJ's (92).

b. Grenzen (92 — 94); Grensgeschillen (94 — 95).

c. Omschrijving en voorkomen van de nagari (95 — 96).

Tweede hoofdstuk; grondgebied en grondrecht 97—112

a. Grondgebied (97);

b. Grondrecht (97 — 98); Beteekenis van ha*, milië en bapoenjo (98 — 99); Ha* oelajat (99); Aan het oelajatrecht is geen stuk grond onttrokken (99); Afstand voor immer niet mogelijk (99 — 101); Het oelajatrecht kan slechts toekomen aan gemeenschappen (101—102); Had de Daulat jang dipatoean geene rechten op den grond? (102 — 104); De oelajat ten opzichte van oerwoud, van verlaten en van bebouwde gronden (104); I Het oerwoud (104 — 105); Rimbo badjariëng (105 — 106); Rimbo larangan (106— 107) ; II De eens ontgonnen doch weer verlaten gronden (107 — 108) ; III De bebouwde, ontgonnen en bewoonde gronden (108 — 109); Tanah hidoeit en tanah mati (109); Isi adat in verband met het oelajatrecht (109—111).

Derde hoofdstuk; bestuur, volkshoofden 112—149

I De darè <■, de bovenlanden (112—113); Het oorspronkelijk volksbestuur (113—114) De Hindoe-Javaansche vorsten (114); Kjahi Katoemangoengan en Papatih nan Sabatang (114 — 116); De radjo nantigo sélo (116); De vier rijksgrooten (116—117); Toestand in de 18e eeuw (117 —118); Vervolg volksbestuur (118 — 119); De panghoeloe (119 — 120); De familie (120); De galar (120); Rangteekens van den panghoeloe (120); Verbodsbepalingen (121); Verheffing tot panghoeloe (121 —123); Bemoeienis van het Europeesch bestuur met de panghoeloeverheffing (123); Het nagaribestuur in verband met het soekoewezen (123—124); De adatbeginselen van de laras Köto' Piliang en die van Bodi Tjaniago (124—135); Nabetrachting (135—137); Oerangampèi djinih (137—140); De panghoeloe (140); De malim (140—141); De manti (141 —142); De doebalang (142).

II. De rantau (de lage landen) (142—145); Moepakat (overleg) (145); Eenstemmigheid (145); Verdeeldheid (146) ; Beslissingen van het nagaribestuur (146); Regeling van 1 October 1912 (147— 148).

Vierde hoofdstuk; Vermogenswezèn • . 149—160

a. Zuivere adat-inkomsten (149 — 152);

b. Adat-inkomsten, die min of meer in verband staan met den godsdienst (152 — 153);

c. Oewang hioeran (153); Beheer van de nagari-fondsen door Inlanders vóór de tegenwoordige regeling (154); Beheer van plaatselijke fondsen door Europeesche bestuurs-ambtenaren (154—155); Proef tot regeling van het beheer in 1906 (155); Tegenwoordige regeling (155—158); Pasarfondsen (158 — 159); Toekomstige toestand (159—160); Belegging in de eigen credietinstelling (160); Boekhouding der nagari-gelden (160).

Vijfde hoofdstuk; Adat en adatrechtspraak 161—180

Het recht van den sterkste (161); Het maken van wetten (161); De adat (161 — 162); Hoofdindeeling van de adat (162—164); Is de adat volgens de opvattingen van het volk kneedbaar? (164); Rechtvaardigheid (164— 165); De weegschaal (165); De balai als rechtszaal (165—166); Wie zijn de rechters? (166); Verplichtingen van den rechter (166); De wetten (166);