is toegevoegd aan uw favorieten.

Het gevoel in de Heilige Schrift

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

De Rubenieten zijn bezorgd voor afval van Goder, neaoen. daarom een grens-altaar gebouwd. Jer. 49 vs 23: „Bij de zee os bekommernis, men kan er niet rusten"- Parallel worden g*rniikt de termen verbaasdheid, beven, beroerte, kommer. (.Ez. \& vs 18vv.) Als tegenstelling dient „een goed woord volgens Spr. 12 vs 25: „Bekommernis in het hart des menschen buigt bet neder, maar een goed woord verblijdt het."

Tearai, samenbinden, iritr. pf. eng zijn; vandaar de constructie j éts ar li. Oen. 32 vs 8: „Jakob was zeer bange"; Richt. 2 vs 15; c. 10 vs 9; I Sam. 30 vs 6; 2 Sam. 13 vs 2; Job 20 vs 22.

C hal ah, zwak, krank zijn, Niph. uitgeput zijn. Am 6 vs 6: „zij bekommeren^ zich niet over de verbreking van Jozef.'

A h g a m, Job 30 vs 25: „was mijne ziel niet beangst over den nooddruftige."

A h n a h III zich afmatten. Pred. 1 vs 13: ,ymoeilijke bezigheid om zich daarmee 'te bekommeren"; c. 3 vs 10, vgl. c. 5 vs 19: „want hij zal niet veel gedenken aan de dagen zijns levens, dewijl God hem verhoort in de blijdschap zijns harten."

A h t s a b II bedroeven, krenken, zich bedroeven. Gen. 45 vs 5: Maar nu weest niet bekommerd en de toom ontsteke niet"; ï Sam. 20 vs 3 en 34: bekommering van Jonathan over David; 2 .Sam. 19 vs 2: „hét smart den koning over zijnen zoon"; Neb. 8 va 11: „Zoo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren, die is uwe sterkte." Hithp. zich bedroeven, boos worden, Gen. 6 vs 6; Gen. 34 vs 7.

Ragan, onrustig zijn, Hithp. sidderen van toom, 2 Kon. 19 vs 27; heen en weer gedreven worden, 2 Sam. 7 ve 10.

.v ■ 2. Grieksche termen.

Merimnaö, ik ben bezorgd, Lat. sollicitus suni. Malt. 6 vs 27: „Wie kan met bezorgd te zijn ééne el (uur) tot zijne lengte (levensduur) toedoen?" vs 31: „Zijt niet bezorgd, zeggende: wat zullen wij eten?"; Phil. 4 vs 6: „Weest in geen ding bezorgd"; Mat. 10 vs 19: „niet bezorgd hoe of wat gij spreken' zult"; Luc, 10 vs 41: „Martha, gij bekommert en ontrust ,u over vele dingen"; I Cor. 7 vs 32—34: de bekommernis van den getrouwde en den ongetrouwde.

M elei, Mc. 4 vs 38: „bekommert het u niet, dat wij vergaan ?"; Luc. 10 va 40: „Trekt gij u dat niet aan ?" ; Hd. 18 vs 17 van Gallio, het tegendeel; I Cor. 9 va 9: „Zorgt ook God voorde ossen?"; I Cor. 7 vs 21: „Zijt gij een slaaf zijnde geroepen, laat u dat niet 'bekommeren".

M e r i m n a, subst. bekommernis. I Petr. 5 vs 7: „Werpt al uwe bekommernis op hem", (uit Ps. 55 vs 23).