is toegevoegd aan uw favorieten.

Friedrich Nietzsche

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meer naar wijsgeerigen grondslag deelt R. Richter in; hij neemt aan; 1. een onkritisch, pessimistisch voluntarisme (invloed van Schopenhauer en Wagner); 2. een half-kritisch intellectualisme en optimisme (invloed van de Engelsche positivisten); 3. een kritischoptimistisch voluntarisme (zelfstandig).1)

Anders weer A. Drews, die de accenten aldus legt: 1. Die romantische Philosophie des genialen (künstlerischen) Selbst: die Kultur als das Reich des Genius; 2. Die positivistische Philosophie des erkennenden Selbst: die Kultur als das Reich des Freigeistes; 3. Die Philosophie des wollenden Selbst: die Kultur als das Reich des Übermenschen, in welke verdeeling het psychologische moment meer tot zijn recht komt.

Joël spreekt van de tragische, de ironische en de Dionysische fazen en Mügge weet de diverse momenten min of meer te vereenigen in zijn schema:

1. de metaphysisch-aesthetisch-Dionysische periode; de pessimistische; 2. de intellectueele periode; de tijd van het positivisme; de aesthetisch en kritisch-Apollijnsche, de rationalistische periode; 3. de ethische periode, de tweede van den metaphysicus Nietzsche, de physiologisch-aesthetisch-neo-Dionysische tijd, de optimistische.2)

Te simpel is het om met Heussner Nietzsche zonder meer onder te brengen onder het naturalisme.3)

Wij zullen deze verdeelingen niet aan een nadere bespreking onderwerpen, het betrekkelijke van alle zal uit de volgende bladzijden blijken.

Wij zullen nu eerst de verschillende perioden en hare overgangen in hun uitgangspunten trachten te schetsen en daarna een overzicht geven van het systeem van Nietzsche's leeringen dat zijn grondslagen opleverden, waarin dan vooral de 3de periode, de tijd dat Nietzsche het meest af is, zal worden geteekend, zonder dat echter parallelen en eerste aanwijzingen uit vroegeren tijd zullen worden voorbijgezien. In de teekening van het systeem zal een volgorde worden gebracht, die natuurlijk eenigszins willekeurig is, maar zij zal toch in dat aangebrachte verband de hoofdlijnen van Nietzsche's denken bevatten.

Nietzsche, S. 106/107. — 2) Nietzsche*, 1914, p. 290. — 3) Die philosophischen Weltanschaaungen and ihre Hauptvertreter, 1910, S. 212 ff.

105