is toegevoegd aan uw favorieten.

Friedrich Nietzsche

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uiting van het diepste leven, en vooral de muziek is identiek met het eigenlijkste levensbesef. Zij is de Dionysische levensopenbaring, brengt de mensch in onmiddellijke eenheid met den levensgrond. Zij is het wezen der dingen. Dat is tegelijk de zekerheid van den mensch; niet zeker is of hij iets van natuur en leven kan weten; het eenige wat hij tot zijn bezit kan maken is: het leven genieten als een kunstwerk, de kunst vereeren als het goddelijke; „denn nur als asthetisches Phanomen ist das Dasein und die Welt ewig gerechtfertigt."')

Zoo krijgt voor Nietzsche de kunst metaphysische beteekenis, zij is hem het wezen der dingen en hij leeft dus in den gedachtenkring van Schopenhauer en Wagner: alle wetenschap is waan, en van dien waan worden wij bevrijd door Wagner's kunst, die ons onttrekt aan de uiterlijke wereld. De kunst staat op deze wijze in dienst van de hooge cultuur, die komen zal door dezen wijsgeer en dezen musicus.

Opgemerkt moet worden dat dat alles meer betoogd wordt dan bewezen, de kennistheorie is in deze eerste faze, vooral in „Die Geburt" nog weinig ontwikkeld, „von eigentlich erkenntnis-theoretischen Erörterungen noch keine Spur."2) Hij vraagt alleen: hoe wordt de cultuur bevorderd? en maakt den indruk alsof hij zich zonder meer bij Schopenhauer aansluit; echter zien wij in het bijzonder uit den „Nachlass" dat hij het niet zoo zeker acht dat de kunst in het gebied der zekerheid en waarheid thuis hoort. Hij blijkt zich rekenschap gegeven te hebben van het feit, dat kunst, religie en filosofie tot het gebied van den waan kunnen behooren. „Eine Weltcorrection •— das ist Religion oder Kunst. Wie muss die Welt erscheinen, um lebenswerth zu sein? Jetzt kommen die anthropomorphischen Hülfsvorstellüngen. Die Religionen sind jedenfalls für die bewusste Erkenntniss da, ein Thier hat nichts davon. Das Bedürfniss nach ihnen ist um so starker, je grösser die Erkenntniss von der Eitelkeit ist."3)

Te bewijzen is nóch de ethische, nóch de aesthetische beteekenis van het bestaan, zegt hij in denzelfden tijd.4) Hij ziet het

') I, S. 45. — 2) F. Rittelmeyer, Friedrich Nietzsche and das Erkenntnisproblem, 1903. — 3) IX, S. 110 Aus dem Gedankenkreise der „Geburt der Tragödie" (1869-71). — 4) X, S. 145.

108