is toegevoegd aan uw favorieten.

Bij Goethe's Faust

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109

allen gevalle in de letteren der zestiende eeuw langs den weg der geschiedkundige verbedding binnengekomen en van het in 1587 bij Johann Spies te Frankfort verschenen eerste Faustboek 1) is reeds melding gemaakt.

Door G. Milchsack te Wolfenbüttel is een handschrift ontdekt, waaruit büjkt, dat het eerste Faustboek niet geheel den oorspronkelijken vorm van de geschrevene vertelling heeft. Zoo heeft dit laatste, bij vele andere kleine verschillen, ook eene van die Van het handschriftelijk gebleven Faustboek afwijkende voorrede. Dat handschrift zal niet lang na 1570 geschreven zijn, en Johann Spies zal allicht eene copie in handen hebben gehad. Intusschen büjft ook dat eerste Faustboek een soort van fabrikaat te achten. Eigenlijk behelst het geene „legende" of „sage", die immers in het algemeen gezegd ontstaat, doordat verhalen of gebeurtenissen in den volksmond onwillekeurige wijzigingen ondergaan. Heel duidelijk is het te ontwaren, dat de vervaardiger Van het oude Faustboek bij de samenstelling van zijn werk twee bronnen voor zich heeft gehad. Dat dit geen dgenlijke „sage" bevatte, wil niet zeggen, dat er niet al eene sage bestond. Dat was wel het geval, want vóór het verschijnen, van het eerste Faustboek booren wij reeds van de „carcerstraf" van twee Tübinger studenten, die eene Faustcomoedie zouden hebben gemaakt en voor dit klein vergrijp door den rector magnificus zouden zijn gestraft worden.

Maar nu die bronnen ! Hoofdbron van den Faustroman van 1587 is in de eerste plaats Hartmann Schedels „Buch der Chroniken und gedachtniswürdigen Geschichten von Anbeginn der Welt bis auf diese unsere Zdt", Nürnberg 1493, terwijl in de tweede plaats een werk van 1563, getitdd „Der Zauberteufd" in aanmerking komt. Want, gelijk weer G. Milchsack ontdekte, worden alle geographische namen, welke wij in het oude Faustboek ontmoeten, ook in het boek der Kronieken aangetroffen, en dat nog wd in dezelfde volgorde, terwijl „der Zauberteufd", voornamelijk met het oog op wat daarin voorkomt over toovenafij, waarzeggerij, geestenbezwering, zegen, bijgeloof, heksen- en duivelskunstenarij

1) Goethe hat es nicht gekannt; überhaupt scheurt Goethe von den eigentlichen alteren Faustbüchern zum Urfaust nichts unmittelbar zu Rate gezogen zu haben. B.