is toegevoegd aan uw favorieten.

Studiën en aanteekeningen over Nederlandsche politiek (1909-1919)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDERWIJS.

83

waarvan, op voorwaarden door de wet te stellen, geldelijke bijdragen uit 's Rijks kas kunnen worden gegeven; het legt den Staat den plicht op, het openbaar lager onderwijs zoodanig in te richten, „dat nergens voor de ingezeten de gelegenheid ontbreke om hunne kinderen in het genot te stellen van onderwijs, waarbij hunne godsdienstige overtuigingen worden geëerbiedigd". Vergelijkt men hun artikel met het bestaande, dan merkt men eenige verschikking en een wat omslachtiger redactie van het gebod tot de alomtegenwoordigheid van het neutraal openbaar onderwijs op ; maar nieuw is alleen de schrapping van het woord „openbaar" in het eerste lid, en het nieuwe vijfde, dat de wet de voorwaarden vast laat stellen waarop ten behoeve van bijzondere scholen geldelijke bijdragen uit 's Rijks kas kunnen worden gegeven. M. a. w. hun artikel wijzigt wèl het bestaande art. 192, maar niet den feitelijk bestaanden toestand, die aan art. 192 volstrekt niet meer beantwoordt. „In dit voorstel is geen stelsel van schoolwetgeving neergelegd", zeggen de onderteekenaars ter aanbeveling. Inderdaad is hun voorstel even stelselloos als de bestaande toestand het is, die de verwording te zien geeft van een systeem dat uitgediend heeft, en tegelijk de kiem van een nieuw dat groeit. Dit grondwettelijk fixeeren van het oogenblikkelijk stadium van een groeiproces dat ondanks zeer krachtigen tegenstand niet te stuiten bleek, is in het voordeel der behoudspartij, in het nadeel der bewegingspartij op onderwijsgebied. Het voorstel is voor de rechterzijde dan ook volstrekt onaannemelijk. Is het billijk dat de bijzondere scholen zullen worden gesubsidieerd, waarom zal dit dan enkel uit 's Rijks kas, niet ook uit die der gemeenten, kunnen geschieden ? Is het, omdat de vigeerende wetten de voortgaande gelijkmaking der bestaansvoorwaarden van openbare en bijzondere scholen nog niet zóó ver hebben doen vorderen ? Op deze wijze maakt men de gewone wetgeving van gisteren tot richtsnoer der grondwet, in plaats van de grondwet te stellen tot richtsnoer der gewone wetgeving van morgen.

De grondwet van 1848 had in zake volksonderwijs een duidelijk program, dat gewerkt heeft en niet algemeen bevredigd. Wat doet het er toe ? Het heeft gewerkt, het heeft leven gewekt zoowel door eigen uitvoering als door den tegenstand dien het opriep. Het art. 192 der tegenwoordige meerderheid houdt een ander program in, dat leven wekken zal in de omstandigheden van thans en van