is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis van de Vereenigde Gods- en Gasthuizen te Utrecht van 1817 tot 1917

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

dien tijd had hij, terwijl hij toch, niet alleen als Regent, maar ook als Superintendent, verantwoordelijk was voor den toestand van het Ziekenhuis, de vergaderingen van het College bijna nooit bijgewoond; ook de ernstige waarschuwing van den Heer de Beaufort in 1847 had den Regent-Burgemeester, toen juist lid van de Commissie voor het Ziekenhuis, geen aanleiding gegeven om zijn invloed te gebruiken om afdoende verbeteringen in te voeren. De inderdaad groote verbeteringen, sedert 1860 met de komst van Dr. Imans begonnen, waren buiten den Burgemeester om gegaan. Het is te begrijpen, dat Regenten zich verontwaardigd toonden, toen juist van die zijde, bij het scheiden van de markt, zulk een toon van gezaghebbende afkeuring werd vernomen.

Maar Regenten konden zich er rustig bij neerleggen. De overeenkomst met de Gemeente was gesloten en men ging, in het nieuwe Ziekenhuis, een betere toekomst tegemoet. Men mocht hopen daar, waar men zich ruimer zou kunnen bewegen, minder hinder te ondervinden van inmenging van de zijde van het, met altijd juist ingelichte Gemeentebestuur.

Een voorbeeld van zulk een inmenging had zich juist in den laatsten tijd weer voorgedaan.

In Juni 1870 begonnen zich pokken in de Gemeente te vertoonen. Terstond stelde de geneesheer-directeur voor, een der aan het Ziekenhuis behoorende woningen in de Jufferstraat voor de verpleging van lijders aan pokken in gebruik te nemen. In een met spoed belegde vergadering van de Commissie voor het Ziekenhuis werd dit voorstel aangenomen. Zoo gelukte het, het Ziekenhuis zelf vrij van pokken te houden. Maar de epidemie breidde zich uit, zoodat het aantal in het pokkenhuis op te nemen zieken steeds toenam. In December stelde Dr. Imans daarom voor, het Gemeentebestuur te verzoeken, het z.g. cholerahospitaal op het Bagijnenhof ter beschikking te stellen, om daarheen de herstellenden over te brengen, die zoo goed als geen verpleging meer noodig hadden, maar, wegens het gevaar van besmetting, nog streng moesten worden geisoleerd. Dan zou er, naar het zich het aanzien, in het pokkenhuis ruimte genoeg zijn. Op deze wijze werd gehandeld. B. en W. gaven de verlangde toestemming en de reconvalescenten werden naar het Bagijnenhof overgebracht, waar zij, zonder eenig bezoek te mogen ontvangen, moesten blijven totdat zij geheel genezen waren en, met ontsmette kleederen, in de maatschappij konden terugkeeren.

B. en W. hadden de zaak echter blijkbaar niet goed begrepen. Op 17 Januari schreven zij aan de Commissie voor het Ziekenhuis,