is toegevoegd aan uw favorieten.

De horizontale grenzen van den grondeigendom

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

De wet van 7 Maart 1852 S. no. 48 tot regeling der gemeen-DeTaeiJef^fwet schap door de electromagnetische telegraaf bepaalde in art. 4, dat „de eigenaars van gronden waarover of waardoor een telegraaf wordt „aangebracht, zonder dat daartoe onteigening „wordt vereischt, zijn gehouden het plaatsen der noodige palen, „het leiden der draden, zoo boven als onder den grond, als„mede hetgeen voor de instandhouding van de telegraaf ver„eischt wordt, te dulden".

Hier wordt dus den grondeigenaar de verplichting opgelegd de draden te dulden, maar men mag hieruit niet a contrario afleiden, dat, was de wet er niet, de grondeigenaar geene draden boven zijn grond behoefde te dulden.

Dit artikel legt immèrs den grondeigenaar de verplichting op om dingen te dulden, die inbreuk maken op zijn eigendomsrecht van den grond en ontleent daaraan zijne beteekenis. Het volgende artikel 5 regelt daarom de wijze waarop de schade zal worden begroot. Wel onderstelt dit artikel blijkens de woorden „mogt lijden", dat art. 4 den grondeigenaar dwingt tot het dulden van toestanden, die hem geene schade veroorzaken, doch hiermee behoeft het gespannen houden van draden niet te zijn bedoeld, omdat ook inbreuk op den grondeigendom denkbaar is zonder dat schade veroorzaakt wordt. Niet overal zal het plaatsen van een telegraafpaal of het leggen van een telegraafkabel door den grond schade te weeg brengen.

Deze bepalingen maken de rechtsregels, die reeds gelden voor de luchtruimte, ook toepasselijk op den grond, voorzoover het telegraafwerken aangaat.

De Telegraaf- en Telefoonwet van 11 Jan. 1904 S. no. 7 maakt enVieio!nwet onderscheid tusschen lijnen — het samenstel van steunpunten, van 1 draden en kabels — en draden of geleidingen.

Ten aanzien van de laatste bepaalt art. 7, „dat een ieder