Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

ken verscholen had te voorschijn; zij hadden takken hij wijze van wapens in de hand en vielen de dansenden aan.

De mannen verweerden zich, de vrouwen kermden en snelden naar de koningin in haar groene nis.

„Weg, weg!" riep de europeesche knaap, „ik zal de koningin redden!"

En hij snelde toe, wierp de meisjes haast omver, en nam haar in zijn armen.

„Neen, Armand, neen!" verzette zich het meisje, „zoo moet het niet, ik mag dezen keer niet gered worden; de Indianen moeten mij gevangen nemen."

„Maar ik bescherm u, en dan zou ik wel eens willen weten of die roode honden u durfden aanraken," riep hij opgewonden, in 't vuur van het spel.

„O foei," zeide zij, „spreek zoo niet, mama moest u hooren, wij spelen immers maar!"

Een indiaansche knaap grooter en forscher dan de anderen, met een regelmatig schoon gelaat en heldere oogen, scheen de anderen overwonnen te hebben en naderde nu de koningin.

Armand stond met fiere houding naast haar, hij leunde op een boomtak, als ware dit een degen geweest.

„Kom eens nader als je durft!" zeide hij. „Zeg eerst wie ge zijt!"

„Wie ik ben," antwoordde de knaap in de indiaansche taal, waarin trouwens de andere hem ook toegesproken had, „ik ben Osseo, de zoon van

Sluiten