is toegevoegd aan uw favorieten.

Grieksch woordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dvaoaXsvco—avaaxavQÓco.

93

3 een proces buiten de rechterlijke macht (apx*j) om pap.

dva-oaXevco, met een schok omhoog bewegen luc.

dva-od$~ip,og (odxxco), xó-aov, oude mijn waaruit voor de exploitatie puin enz. moet worden omhoog gebracht, verwijderd worden inscr.

dva - oeigd£co (asigd touw; al lo nge-te u gel 1) overdr. van den goeden weg afleiden eur. Hipp. 237.

dvd-oetaua, xó en uóg, ó, het drillen, mikken, dreigen met wapens d. h.

dva-aeico, — 1 omhoogzwaaien, atyïSa hes. Sc. 344, hymn.; armen thuc. 4,38. — 2 laten wapperen, haren eur. Ba. 240. — 3 dreigend zwaaien, voorhouden, bijv. een roode lap lys. 6,51; overdr. een proces dem. — 4 verzw. uitschudden (lat. excutere) att. — 5 in opschudding brengen, opruien n. t. Mc. 15, 11.

dva-aeXyaivco, beschimpen ar. Vesp. 61.

dva-oevto, pass. omhoogspuiten A 458.

dva-anxóco, evenwicht vestigen hippocr.

dvd-aipog, 2, opwaarts gebogen aristot.; i spec. „wipneuzig" ar. Eccl. 940.

dva-oxdjzxco, — 1 opgiaven plut. — 2 verwoesten d. h.

dva-oxeödvvvpt, verstrooien plut., inscr.

dva-oxevd^co, — 1 oxsvtj bijeenbrengen en oppakken, opladen; van vreemd goed: weghalen. — 2 praegn. ) plunderen xen. An. 5, 10, 8. — 3 > verwoesten thuc. 4, 116; pass. vernietigd worden, l verhezen eur. El. 602; yvyag, onrustig maken n. t. Act. 15, 24. — 4 spec. pass. bankroet maken, faillietgaan dem. 3, 39. — 5 opruimen = afdoen, weerleggen, beweringen aristot. — 6 Med. I zijn eigen bezittingen, bagage oppakken: opbreken, Weggaan.

dva-oxevaoxixóg, weerleggend, afdoend

d va -oxcvrj, bankroet Ltr. f aristot. r dv-aoxn&xjg, niet gezond inscr. -

dv-doxz)xog, 2, adv. log, ongeoefend, onvoorbereid xen. Cyr. 8, 8, 24, plut.

dva-oxivSvXevco, aan een paal vasthechten, kruisigen pl. Rep. 362 a.

dva-oxigxdco, opspringen com.

dva - gx oXojzlfcco, aan een paal vasthechten, kruisigen hdt. 1, 128, luc; fut. med. met pass. bet. hdt. 3, 132.

Ava-axojiéco, f. -ox&wopai enz., — 1 nauwkeurig beschouwen att.: thuo. 7, 42, 30, pl. — 2 op iets terugzien xen: Vect. 5, 11.

dva-ooBéco, — 1 opjagen, verschrikken plut. — 2 ophitsen pl. Lys. 206 a.

dva-aizaodooco, uittrekken eur. Ba. 1104.

dvd-ojtaoig, tj, het optrekken hippocr.

dvd-onaoxog, 2, — 1 terug-, achteruitgetrokken — geopend (of: waarvan de sluitbalk teruggehaald is soph. Ant. 1186. — 2 (vgl. av-loxnpi) opgejaagd en weggesleept: verbannen; itoistv =

' verbannen hdt. 3, 93, eld,

dva-c-jrdco, — 1 in de hoogte trekken, uittrekken hdt. 2, 92 tot n. t. Luc. 14, 5, med. èyxog N 574. — 2 spec. de wenkbrauwen, het voorhoofd optrekken, rimpelen, om ernstig te schijnen ar. Eq. 631, xen. — 3 op het land trekken pind. P. 4, 27, hdt. 7,188 — 4 op(en)breken, graven eur. Med. 1381 — 5 ) openen, deuren pol. — 6 ophalen = drinken aesch. Eum. 647. — 7 spec. soph., Ai. 302 oxtif xivi Xóyovg avsona v. diep opgehaalde, hol klinkende woorden.

dva-anoyyi^co, af sponsen hippocr.

dvaoaa (\ favax-ia, z. dvag~), rj, heerscheres, meesteres, koningin, godin £326, tr. (com. parodie ar. Lys. 706 d-rpdyovg xovds).

dvd-óovxog, 2, terugdeinzend hippocr.

dvdaaco (favaxmia>:avag~). alcae. fr. 64 ifdvaoos. — 1 heerscher zijn, met plaatsbep. A 180 — 2 later met gen., heer zijn van, beheersen en, bezitten Y 180 — 3 besturen, bezitten, xxrjpaoiv a 137. — 4 med. heerschen y 245 ■— 5 pass. persoonlijk o 177 —

dv-doaco, att. -axxco, zie dv-ataom.

dva-axaóóv, adv., recht staand I 671.

dva-axaXit,co, in tranen uitbreken anacr.

dvd-crract's (: dv-loxauai) f/, — 1 het opstaan, van een zit- of rustplaats, of

\ hinderlaag, alg. tot n.t. Luc. 2, 34. — 2 het vertrek, de aftocht thuc. 7, 75, 23. — 3 opstanding aesch. Eum. 648, luc, n. t. Mt. 22, 31; het ontwaken soph.; opstand pol. — 4 (dv-loxr\pi) het doen opstaan uit eene woonplaats:

; verdrijving. — S ontvolking, verwoesting att. and. —,6 verplaatsing hdt. 9,106. — 7 het doen oprijzen, oprichten, v. muren enz. dem.

dva-orrdrrjo, xjoog en dva-oxdxt]g, ov, d, verwoester aesch. Ch. 303, Ag. 12271

avd-oxaxog, 2, hdt. — 1 uit zijne woonplaats verdreven. — 2 ontvolkt, verwoest pl. — 3 in oproer verkeerend pl. Soph. 252 a.

ava'oxaxóm, opruien n. t. Act. 17, 6. dva-erravodto, kruisigen hdt. 3, 126, att.

| tot n. t. Hebr. b, b.