Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

490

&VLIOS—{rvgejzavoixrns.

wensch, verlangen A 136, 426, hdt. 1,1. — 5 bepaalde gedachte «302.— 6 praegn. toorn, sinds I 637 alg. tot n. t. Hebr. 11, 27 (zóó alleen n. t.).

■Ovpos, ó, z. {Hiuov.

&vuo-oocpixóSt zooals een dvpóoocpos ar. Vesp. 1280.

trvuó-oocpos, — 1 die van nature wijs, verstandig is ar. Nub. 877, plut. — 2 zó if-ov, instinct plut.

irv'fto'cp&oo-ico, zijn hart door zorgen verteren soph. Tr. 142.

&Vfio-cpirógos, — 1 het leven vernietigend : doodend Z 169, ft 329. — 2 het hart aantastend S 716, x 363, aesch. Ag. 103.

&viióco, — 1 act. toornig maken LXX. — Pass. 2 m. fut. med.: toornig worden, rivi, op iemd hdt. 3, 34,.thuc. 7, 68, 15, aesch. Ag. 1069, soph., ar. Ran. 1006, pl., plut., n. t. Mt. 2, 16. — 3 spec. &. eis xêgas — in cornua irasci, zijn woede in stooten met de horens uiten eur. Ba. 743.

■dvp-cóSris, adv. ais, toornig, wild aristot.

&vfi-a>Sng, tijmachtig theophr.

■dyuto-ua, tó, toorn aesch. Eum. 860.

■trvum-oig, ff, toornig worden cic.

•O-vvéco, = ■dvvco, zich snel bewegen hes. Sc. 210.

&ivva, r), het wijfje van den tonijn; ook = tonijn hippon.

■&vw-&£a>, eig. den tonijn met de harpoen steken, vand. in iets prikken ar. Vesp. 1088.

&óvv-eios, van den tonijn ar. Eq. 354.

trvvvevTc-xóe, het vangen van tonijnen betreffend luc.

zrvvvi's, idog, V, — 1 moot of staartstuk van den tonijn. — 2 een soort

van visch, die op den tonijn gelijkt com., aristot. ■dwvo-xécpaXos, met tonijnekop luc. fivwos (Onbek.; niet bij ihjvco), ó, tonijn,

orakel bij hdt. 1,62, aesch. Pers. 424, com. ■Owvo-oxost-éoa, eig. naar de komst van

de tonijnen uitzien, overdr. loeren op '

iets, ti ar. Eq. 313. irvvvo-axójzos, ó, hij, die het naderen i

van de tonijnen bespiedt en dit den vis-

scher meldt aristot., plut. 1 &vvv-cóèr)s, als een tonijn, een „stok- 1

visch": dom luc. •Ovvco (dvco), slechts in het praes. en

impf., zich onstuimig bewegen, voort- i

stormen E 250, pind. P. 10, 54. ftvo-óóxos, wierook, aannemend eur. 1

Andr. 1157.

, wvó-eis, 3, naar wierook riekend, geurig

O 153, pind. fr. 75. ! ■dvov (trvco offeren), ró, — 1 boom met aromatisch hout s 60 = ihila. — 2 reukoffer pind. fr. 127, com. ■Ovos (Oirn offeren), ró, brand-, reukoffer Z 270, hes. O. 338, aesch. Ag. 1409. ■dvomt-éco, offeren aesch. Ag. 87; z. volg. ■&vo-o}tóos(: -xoico = lat. caveo, *oxo(jr)os: got. us-skavs voorziende, d. schauen), eig. die offers ziet, bestudeert (:irvos zó), offerpriester, haruspex Q 221, (eur.) Rhes. 68, d. h. ■Ovóco (•.■dvov), welriekend maken 5172. ■dvga (W.dhuer-: dhur-, o.ind. dvaran. deur, arm. pl. dur-k', lat. fonts naar buiten = irvgaCs, m.ier. dorus, got. daür = ndl. deur, Ut. dvaras hof), ion. &VD1), r), — 1 deur g 267 alg. tot n. t. Mt. 6, 6; waait dubbele deur of poort. — 2 a/ &vgai, spec. de deuren van het koninklijk paleis (vgl. de Porte) H 346, hdt. 3, 42, xen. An. 1, 9, 3. — 3 alg. toegang, ingang.243, xen. An. 6, 3, 23, Cyr. 6, 4, 9, ar. Eccl. 316. — 4 plank, raam hdt. 2,96; 8, 51. — N.B. iïvgncpi, buiten « 238; ■Ovprftri, buiten f 352. &vg&£e (< ars ace. pl. + ds), als adv.,

— 1 naar den uitgang: naar buiten 2 29, alg., hes-, att. — 2 buiten eur. Or. 604.

— 3 ais praep. xivos, buiten eur. Ba. 331. iWgö-der, adv., — 1 van buiten eur.

Herc^ 7.13. — 2 buiten aesch. Sept. 68. ■OvgaTog, — 1 buiten staande, zijnde tr. : aesch. Ag. 1608, — 2 spec. buiten de deur staande aesch. Ag. 1055. — 3 vreemd, van een ander aesch. Ag. 837.

— 4 van buiten: oppervlakkig plut. ■Ovgaoi (oude loc. pl), als adv., — 1 buiten

ar. Vesp. 891, eur. — 2 buitenlands soph. O. C. 401. irvg-avX-éoo, — 1 zich buitenshuis ophouden, onder den blooten hemel leven pl. Polit. 272 a, xen. Oec. 7, 30, plut.

— 2 een serenade brengen Ltr. irvg-avi -ia, r), verblijf onder den. blooten

hemel aristot., plut., luc. ■frvga-cogós ('■ togri), vóór de deur wakend X 69.

■Ovged-cpógos, = 'Ovgeocpógos, pol. ■dvgcós, ó, — 1 deursteen: steen als afsluiting t 240. — 2 langwerpig vierkant schild pol., n. t. Eph, 6, 16. ■Ovgso-cpog-éco, een schild dragen pol.;

-os, -dragend pol-, plut. 4h)o-sn-avoixTi)s, ov, ó, hij, die de deuren opent, bijn. v. Crates plut.

Sluiten