is toegevoegd aan uw favorieten.

Goden en grenzen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En vorm naast vorm, gestalte naast gestalte, Trok haar de vormenrijkdom die de tijden Geschapen hadden in mijn zichtbre wereld JVlee in zijn ronde, een deelpunt van mijn leven, Een zoon van vreugde met in 't hart het klagen Van, hoe vervuld, toch onvervuld verlangen.

Wa nt eindloos, onuitspreekbaar blijft verlangen, Het schreiend beeld in zon van sneeuwgestalte, Een juichen diep doorruischt van dropplend klagen, En zichtbaar eeuwig woelt het door de tijden Als de onderstroom van het geschapen leven, Als donkre wilkeur onder heldre wereld.

Daarom is dwars door tweewerf zaalge wereld De nood die drijft tot aldoor nieuw verlangen: De bandelooze drang naar vormloos leven Herschept zich tot noodwendige gestalte. En al wat tijdloos scheen voegt in de tijden De maatslag van zijn juichen, van zijn klagen.

De pijn van 't schepsel is dit troostloos klagen: Dat altijd weer droom worden moet tot wereld, Dat altijd weer de vastheid van de tijden

119