is toegevoegd aan uw favorieten.

Dichtvormen en dichtsoorten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

408

Op tweeërlei wijze kan de dichter zijn doel — de berisping, de kastijding — bereiken: hij kan verontwaardigd zijn over betgeen bij gispt, en dan met pijnlijk striemende slagen den geesel van zijn toorn op de ondeugden of gebreken doen nederdalen; — of wel, hij beschouwt de zaken meer van haar belachelijken dan van haar verderfelijken kant: hij zoekt ze met bijtende scherts bespottelijk te maken om zoo zijn medemenschen er tegen te waarschuwen. In het eerste geval geeft hij een rechtstreekscbe of ernstige satire, in het .tweede geval een middellijke of luimige satire.

De hekeldichter onthoude zich echter steeds, lichaamsgebreken of ziekten bespottelijk te maken. Evenmin mag hij zich laten verleiden tot persoonlijke aanvallen; doet hij dit toch, dan verbeurt hij de sympathie zijner weldenkende lezers en wordt zijn satire minachtend een paskwil ofpamphlet genoemd.

De satire is al overoud: zoowel bij Grieksche als Latijnsche dichters komt zij voor. Ook in onze letterkunde treden reeds vroeg hekeldichters op; bekend is o. a. van Anna Bijns: Marten Luther en Marten van Rossum, waarin zij den hervormer beneden den beruchten krijgsman stelt. Vooral heeft zich Vondel als hekeldichter onderscheiden: zijn politieke satiren naar aanleiding van den twist tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten met het tragisch einde van den grijzen Oldenbarneveldt behooren tot het voortreffelijkste, wat hij ons gegeven heeft. Zoo noemen wij slechts zijn: Harpoen, Rommelpot, Geuzenvesper, Een Otter in het Bolwerk, Het Stokske van Oldenbarneveldt, enz. Zijn Roskam — in den vorm van een brief aan C. P. Hooft — behoeft voor geen der klassieke satiren te wijken en geeft ons een welsprekend getuigenis van zijn edel gemoed, wars van alle huichelarij en schijnheiligheid.

Huygens hekelt in zijn Kostelijk Mal (= kostbaar kwaad) de dwaze kleederdracht en weelde zijner dagen; zoo voert hij o. a. een oude, maar nog behaagzieke vrouw ten tooneele, die zich door haar kamenier laat aankleeden:

„Die wangen zijn te doodsch, zij moeten anders leven; Wat raad nu, Pieternel?" — „Mevrouw, 't penseel zal geven, Wat de natuur vergat; wees meester van uw vel: Wat zou u hinderen? die, die en die doen 't wel." —